RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18913
V-nummer: [V-nummer 1] ,
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , geboortedatum: [geboortedag 1] 2011, v-nummer: [V-nummer 2] , [minderjarige 2], geboortedatum: [geboortedag 2] 2013, v-nummer: [V-nummer 3] ,[minderjarige 3], geboortedatum: [geboortedag 3] 2014, v-nummer: [V-nummer 4] ,
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij het besluit van 3 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres is geboren op [geboortedag 4] 1991 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 17 november 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Uit onderzoek uit EU-Vis blijkt dat de Slowaakse autoriteiten eiseres een visum hebben verleend met een geldigheidsduur van 26 mei 2025 tot 23 augustus 2025. Het visum was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de indiening van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening de Slowaakse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. De Slowaakse autoriteiten hebben het overnameverzoek op 29 januari 2026 aanvaard.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte haar minderjarige zoon niet gehoord, terwijl hier wel om is verzocht. In dit kader verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Daarnaast stelt eiseres dat ten aanzien van Slowakije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijst daarbij onder meer naar het US Department of State-rapport van 2024 en rapporten van Amnesty International. Hieruit volgt dat de opvangomstandigheden tekortschieten, dat asielzoekers in detentie kunnen worden geplaatst en dat effectieve rechtsbescherming ontbreekt, waardoor overdracht leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verder voert eiseres aan dat zij vreest voor haar ex-partner, die haar ook buiten Turkije kan traceren. Gelet op de geografische nabijheid van Slowakije tot Turkije en de door haar gestelde mogelijkheid om haar verblijfsplaats te achterhalen, acht zij Slowakije minder veilig dan Nederland. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij zich voor bescherming tot de Slowaakse autoriteiten kan wenden.
Eiseres stelt daarnaast dat verweerder haar en haar kinderen ten onrechte niet als bijzonder kwetsbaar heeft aangemerkt en ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. Zij wijst op haar psychische omstandigheden en de overgelegde medische stukken. Verweerder had nader onderzoek moeten verrichten en een BMA-advies moeten opvragen. Ook stelt eiseres dat uit de landeninformatie volgt dat het voor kwetsbare personen moeilijk is om toegang te krijgen tot adequate opvang en huisvesting, zodat verweerder aanvullende garanties had moeten verkrijgen van de Slowaakse autoriteiten. Daarnaast is sprake van (medische) afhankelijkheid van haar in Nederland verblijvende moeder en zus, zodat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 16, van de Dublinverordening. Tot slot had verweerder, gelet op het geheel van haar omstandigheden en het belang van haar minderjarige kinderen, aanleiding moeten zien om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van haar asielaanvraag aan zich te trekken.
4. Ter zitting heeft eiseres verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak om nog nadere medische stukken te kunnen overleggen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, waar eiseres naar verwijst, volgt dat minderjarigen in de Dublinprocedure in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening vrijelijk te uiten en dat daartoe procedures moeten bestaan die dit mogelijk maken, maar niet dat dit noodzakelijkerwijs door middel van een fysiek gehoor moet plaatsvinden.
6. Niet is gebleken dat de zoon van eiseres die mogelijkheid niet heeft gehad. Eiseres heeft haar standpunt tijdens het aanmeldgehoor, in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze naar voren kunnen brengen, mede namens haar zoon. Daarnaast bestond de mogelijkheid om de mening van haar minderjarige zoon schriftelijk kenbaar te maken voordat verweerder een besluit nam. Niet is gebleken dat hiervan gebruik is gemaakt. Dat eiseres heeft aangevoerd dat een fysiek gehoor van belang is omdat haar minderjarige zoon zelf zijn verhaal had willen doen en zijn emoties zichtbaar hadden kunnen worden, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat niet concreet is gemaakt welke informatie haar zoon tijdens een afzonderlijk gehoor naar voren had willen brengen die niet reeds op andere wijze naar voren kon worden gebracht. Gelet hierop heeft verweerder kunnen afzien van een afzonderlijk gehoor. Van een schending van de hoorplicht is daarom geen sprake. Daarbij is niet gebleken dat het belang van het kind zich tegen de door verweerder gevolgde werkwijze verzet.
7. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Slowakije, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Slowaakse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens haar niet zullen nakomen. Voor zover eiseres heeft gewezen op de mogelijkheid van detentie, volgt uit de aangehaalde bronnen niet dat asielzoekers, en in het bijzonder gezinnen, structureel en zonder waarborgen in detentie worden geplaatst. Dat detentie onder omstandigheden kan voorkomen, is onvoldoende om te concluderen dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Daarnaast leidt de stelling van eiseres dat zij vreest voor haar ex-partner niet tot een ander oordeel. Deze vrees ziet namelijk op handelen van een derde. Niet is aannemelijk gemaakt dat de Slowaakse autoriteiten eiseres geen bescherming kunnen of willen bieden. Indien eiseres in Slowakije toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van haar asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan zij hierover klagen bij de Slowaakse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiseres bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is.
8. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiseres is om met medische stukken aan te tonen dat haar overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Eiseres heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde stukken weliswaar volgt dat eiseres psychische klachten ervaart, maar dat deze stukken geen inzicht geven in de aard, ernst en behandeling van die klachten door een medische specialist. Daaruit blijkt ook niet dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van haar of haar minderjarige kinderen. De overgelegde e-mail van 28 april 2026 van een praktijkondersteuner GGZ maakt het vorenstaande niet anders, reeds omdat deze niet afkomstig is van een (behandelend) arts of medisch specialist en geen objectieve medische onderbouwing bevat van de gevolgen van overdracht. De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres, ondanks haar stelling dat zij frequent onder behandeling staat bij verschillende behandelaars, geen stukken heeft overgelegd waaruit deze behandeling blijkt. Voor zover eiseres heeft gesteld dat ook haar kinderen medische klachten hebben, geldt dat deze stelling evenmin met medische stukken is onderbouwd. Het ter zitting gedane verzoek om aanhouding van de behandeling is afgewezen, nu eiseres, gelet op haar stelling dat zij frequent onder behandeling staat, voldoende gelegenheid heeft gehad om voorafgaand aan de zitting relevante medische stukken over te leggen. Niet is gesteld of gebleken van omstandigheden op grond waarvan zij deze stukken niet eerder had kunnen overleggen.
9. Eiseres heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om haar te behandelen of dat de medische behandeling die zij nodig heeft niet in Slowakije aanwezig en toegankelijk is. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat volgens het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Slowakije vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze voorzieningen in Slowakije ook ter beschikking staan van eiseres als Dublinclaimant. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar situatie niet het geval is. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Slowakije zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiseres of haar kinderen. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. is daarom niet gebleken.
10. Op grond van het Tarakhel-arrest dient verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties te vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiseres is hier niet in geslaagd, nu onvoldoende is gebleken dat er in het geval van eiseres en haar minderjarige kinderen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft niet met concrete en objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat zij en haar minderjarige kinderen, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen toegang zullen hebben tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Slowakije. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiseres, de relevante medische gegevens van eiseres worden doorgegeven vóór overdracht. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.
11. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening tussen eiseres en haar in Nederland verblijvende moeder en zus. Daarnaast is niet gebleken dat de gestelde zorg uitsluitend door hen kan worden verleend. De enkele stelling dat eiseres en haar familieleden elkaar op emotioneel vlak ondersteunen, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken dat eiseres zich niet zonder hen staande kan houden.
12. De wens van eiseres om bij haar in Nederland verblijvende familieleden te verblijven heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht aan Slowakije van een onevenredige hardheid getuigt. De Dublinverordening voorziet weliswaar in mogelijkheden voor het bijeenhouden van gezinsleden, maar is niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij familie- of gezinsleden in Nederland kan worden verkregen.
13. Verweerder heeft daarnaast de belangen van de minderjarige kinderen voldoende betrokken bij het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder onder meer de gestelde medische omstandigheden, de gezinssituatie en de aanwezigheid van familieleden in Nederland bij zijn beoordeling betrokken. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
14. Verweerder heeft de asielaanvragen van eiseres terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.