ECLI:NL:RBDHA:2026:13865

ECLI:NL:RBDHA:2026:13865

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer NL26.10609
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Frankrijk, 8:54 Awb, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening, vrees voor eerwraak door echtgenoot, arrest Tarakhel, geen individuele garanties van de Franse autoriteiten vereist, belangen van de kinderen, beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[naam 1] , eiseres,

geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [nummer 1] ,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

V-nummer: [nummer 2] ,

[naam 3] ,

geboren op [geboortedatum 3] ,

V-nummer: [nummer 3] ,

[naam 4] ,

geboren op [geboortedatum 4] ,

V-nummer: [nummer 4] ,

allen van Somalische nationaliteit,

hierna: eisers,

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft het de asielaanvraag met het bestreden besluit van

24 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.10610. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het besluit tot het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 2 oktober 2025 bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. De autoriteiten van Frankrijk hebben niet binnen twee maanden gereageerd. Daarom staat sinds 3 december 2025 de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.

Zienswijze

5. Eisers verwijzen in de beroepsgronden allereerst naar hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eisers. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eisers in beroep niet concreet hebben aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hen niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het fictieve claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eisers. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eisers op het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. Als eiseres en haar minderjarige kinderen toch problemen ervaren in het kader van de opvangvoorzieningen, dan ligt het op haar weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eisers niet mogelijk zal zijn.

Artikel 17 van de Dublinverordening

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen.

Paragraaf C2/5. van de Vc bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eisers op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eisers betogen dat de door hun naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de opvangvoorzieningen in Frankrijk ook moeten worden meegenomen in de motivering ten aanzien van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Verder heeft de minister in de verklaring van eiseres, namelijk dat zij bij terugkeer naar Frankrijk vreest voor eerwraak door haar echtgenoot via zijn familie en/of vrienden, geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Het uitgangspunt is dat eiseres zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de Franse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk haar niet kan of wil helpen. Dat de Franse autoriteiten haar niet permanent kunnen beschermen maakt dat niet anders, omdat permanente bescherming in Nederland ook niet mogelijk is. In de enkele stelling van eiseres dat haar echtgenoot geen contacten in Nederland heeft, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eisers in behandeling dient te nemen.

Arrest Tarakhel

8. Het beroep van eisers op het arrest Tarakhel slaagt ook niet. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een alleenstaande moeder is met drie jonge kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee onvoldoende gebleken dat er in het geval van eisers sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat zij en haar minderjarige kinderen, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen. Zoals hiervoor onder 6.1. is overwogen mag er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat eisers in Frankrijk zullen worden toegelaten tot de opvang. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Franse autoriteiten vereist voor de overdracht van eisers.

Belangen van de kinderen

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister heeft terecht overwogen dat op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening de situatie van minderjarige kinderen onlosmakelijk verbonden is met de situatie van dat gezinslid en het ook in dit geval het belang van de minderjarige kinderen is dat zij bij eiseres blijven. Verder zijn er ook geen omstandigheden gebleken waaruit blijkt dat een overdracht naar Frankrijk onevenredige nadelige gevolgen heeft voor de minderjarige kinderen. Zo heeft eiseres niet onderbouwd dat een overdracht aan Frankrijk de ontwikkeling en gezondheid van haar kinderen negatief zal beïnvloeden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand