RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37614
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en
(gemachtigde: L. Hartogh).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, O. Ilmi als tolk, de (gestelde) partner van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiseres stelt dat zij is geboren op [geboortedatum] 1994 en dat zij de Somalische nationaliteit heeft. Zij heeft een asielaanvraag gedaan om de volgende redenen. Op jonge leeftijd is eiseres in [plaats 1] gaan wonen. In mei 2017 is zij gaan werken in een hotel in [plaats 1] . Daar heeft zij in januari 2018 [naam] leren kennen. In [datum huwelijk] 2018 zijn zij met elkaar getrouwd. [naam] (hierna: de echtgenoot) was parlementslid van de deelstad [plaats 2] van 2017 tot 2019. In maart 2021 is de echtgenoot vertrokken naar Duitsland voor een medische behandeling aan een tumor in zijn gezicht, waarna hij weer is teruggekeerd naar Somalië. Begin 2022 is de echtgenoot voor de tweede keer vertrokken naar Duitsland in verband met medische behandeling. Eiseres heeft in maart 2022 voor het laatst telefonisch contact gehad met haar echtgenoot. Daarna heeft zij geen contact meer met hem kunnen krijgen. Eiseres kwam in financiële moeilijkheden en is daarom in april 2022 vertrokken naar haar tante in het dorp [plaats 3] , waar zij kon werken in de winkel van haar tante. Bij aankomst had de overheid de controle over het dorp, maar op enig moment heeft Al-Shabaab het dorp veroverd. In mei 2022 is eiseres, terwijl zij aan het werk was in de winkel, meegenomen door drie mannen van Al-Shabaab. Vervolgens is zij door Al-Shabaab vastgehouden, verhoord en fysiek mishandeld vanwege de activiteiten van haar echtgenoot en omdat zij ervan werd beschuldigd dat zij een spion was. Al-Shabaab heeft gezegd dat eiseres met een lid van hen moest trouwen. Toen eiseres dit weigerde, is haar gezegd dat zij de doodstraf krijgt. Vervolgens is Al-Shabaab uit [plaats 3] verdreven door de overheid en werd eiseres vrijgelaten. Op 6 juni 2022 is eiseres gevlucht naar [plaats 1] , waarna zij Somalië op 1 augustus 2022 heeft verlaten. Eenmaal in Nederland heeft eiseres vernomen dat haar echtgenoot in [datum overlijden] 2024 in Somalië is overleden. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiseres om te worden gedood door Al-Shabaab. Ook vreest zij voor (seksueel) geweld als alleenstaande vrouw zonder bescherming. Tot slot is eiseres bang dat haar vier (pleeg)dochters, die - met haar twee zonen - bij haar tante in Somalië verblijven, besneden zullen worden.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) problemen met Al-Shabaab.
De minister stelt zich op het standpunt dat het element onder (1) geloofwaardig is. Het element onder (2) is volgens de minister niet geloofwaardig omdat eiseres het huwelijk met haar echtgenoot niet heeft onderbouwd, omdat zij weinig persoonlijks heeft verklaard over haar echtgenoot terwijl zij al sinds 2018 met hem is getrouwd, omdat zij vaag en wisselend heeft verklaard over de politieke functie van haar echtgenoot, omdat zij wisselend heeft verklaard over de mishandelingen, omdat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab het persoonlijk op eiseres heeft voorzien en omdat de door eiseres ingediende foto’s en het werkpasje van haar echtgenoot haar asielrelaas niet ondersteunen.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres is namelijk afkomstig uit [plaats 1] en verder kan zij niet worden aangemerkt als alleenstaande vrouw omdat zij in [plaats 1] bescherming kan krijgen van haar familie. Tot slot valt de vrees van eiseres dat haar dochters gedwongen zullen worden besneden buiten de beoordeling omdat de dochters van eiseres in Somalië verblijven. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen als ongegrond.
Tot slot heeft de minister het standpunt ingenomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of voor uitstel van vertrek om medische redenen en heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
De beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank daarover
Over de bij de geloofwaardigheidsbeoordeling toegepaste werkinstructie
5. Eiseres voert aan dat Werkinstructie 2014/10 van toepassing is maar dat de minister de asielaanvraag van eiseres niet daadwerkelijk conform deze werkinstructie heeft beoordeeld. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet dat de minister externe geloofwaardigheidsindicatoren heeft betrokken in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.
De rechtbank heeft partijen ter zitting gevraagd of Werkinstructie 2014/10 of Werkinstructie 2024/6 van toepassing is. De minister heeft daarop primair het standpunt ingenomen dat Werkinstructie 2024/6 van toepassing is en subsidiair dat de verklaringen van eiseres hoe dan ook ongeloofwaardig worden geacht, ongeacht welke werkinstructie van toepassing is. Eiseres heeft primair het standpunt ingenomen dat Werkinstructie 2014/10 van toepassing is omdat dit is vermeld in het voornemen en omdat uit het bestreden besluit niet blijkt dat Werkinstructie 2024/6 is toegepast. Subsidiair heeft eiseres het standpunt ingenomen dat, voor zover de rechtbank Werkinstructie 2024/6 van toepassing acht, deze werkinstructie in strijd is met het Unierecht. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025. Ook heeft eiseres gevraagd om haar beroepsgronden over Werkinstructie 2024/6 te mogen aanvullen voor zover de rechtbank aanneemt dat deze werkinstructie van toepassing is.
De rechtbank stelt voorop dat Werkinstructie 2024/6 geldig is per 1 juli 2024. Uit vaste rechtspraak blijkt dat het uitgangspunt is dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Het bestreden besluit dateert van 3 september 2024. Dit betekent dat Werkinstructie 2024/6 van toepassing was. Uit het bestreden besluit blijkt echter op geen enkele wijze dat de minister de asielaanvraag van eiseres daadwerkelijk heeft beoordeeld conform deze werkinstructie, terwijl uit het in het bestreden besluit ingelaste voornemen van 27 juni 2024 blijkt dat de minister de asielaanvraag heeft beoordeeld conform Werkinstructie 2014/10. Materieel gezien heeft er in het geval van eiseres in het bestreden besluit eenzelfde beoordeling plaatsgevonden als toen Werkinstructie 2024/6 nog niet in werking was getreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beroepsgrond van eiseres dat Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht te beoordelen of om eiseres in de gelegenheid te stellen om haar beroepsgronden hierover aan te vullen. De rechtbank beoordeelt uitsluitend de beroepsgrond van eiseres over de toepassing van Werkinstructie 2014/10. Anders dan eiseres in dat kader stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat in het bestreden besluit in het geheel geen externe geloofwaardigheidsindicatoren zijn betrokken. Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt bijvoorbeeld dat de minister informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van juni 2023 heeft betrokken. Eiseres heeft haar beroepsgrond verder niet geconcretiseerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de vaststelling van de relevante elementen
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om een aantal relevante elementen vast te stellen. Naast het element ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’ had de minister nog drie andere elementen moeten vaststellen, namelijk:- dat zij getrouwd is met een parlementslid;- dat zij is ontvoerd, gedetineerd en mishandeld door Al-Shabaab, verdacht is van spionage en dat is geprobeerd om eiseres onder dwang met een Al-Shabab lid te trouwen;- dat zij een alleenstaande vrouw is met kinderen en dat zij geen mannelijke familieleden heeft die haar kunnen beschermen.
De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Op grond van werkinstructie 2014/10 wordt als relevant element aangemerkt: feiten of omstandigheden die raken aan tenminste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staan met vluchtelingenschap dan wel artikel 3 van het EVRM. De minister heeft alle feiten en omstandigheden omtrent de verklaring van eiseres dat zij getrouwd is geweest met een parlementslid en de daarop volgende problemen met Al-Shabaab gebundeld in het relevante element “problemen met Al-Shabaab”. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister deze feiten en omstandigheden had moeten onderverdelen, nu zij behoren tot dezelfde verhaallijn en tot elkaar in een oorzaak-gevolg relatie staan. Het gaat erom dat de minister de feiten en omstandigheden waarover eiseres heeft verklaard heeft vastgesteld en vervolgens heeft beoordeeld. Datzelfde geldt voor de verklaring van eiseres dat zij heeft te vrezen omdat zij een alleenstaande vrouw is. Hoewel de minister de feiten en omstandigheden die hiermee verband houden in het bestreden besluit en daarin ingelaste voornemen niet expliciet heeft aangemerkt als relevant element, heeft de minister in het kader van de zwaarwegendheidsbeoordeling wel degelijk beoordeeld of eiseres bescherming behoeft als alleenstaande vrouw in Somalië. De beroepsgrond kan daarom niet slagen. Over het referentiekader
7. Eiseres voert vervolgens aan dat de minister haar referentiekader ten onrechte niet kenbaar heeft betrokken in het bestreden besluit en in het bijzonder ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De enkele stelling van de minister dat op bepaalde punten van eiseres mag worden verwacht dat zij daarover uitgebreider en duidelijker verklaart, is onvoldoende. Of dit van eiseres mag worden verwacht, hangt nu juist samen met haar persoonlijke omstandigheden, zoals de omstandigheid dat zij geen scholing heeft gehad. Bij de vraag wat van eiseres als Somalische vrouw mag worden verwacht, had de minister ook de positie en rol van de vrouw in de Somalische cultuur en samenleving moeten betrekken. Eiseres verwijst in dit kader naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van december 2021, pagina 49 en paragraaf 2.4.3, 4.1.4. en 4.1.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister heeft het standpunt ingenomen dat uit punt 1 tot en met 7 en punt 10 van het bestreden besluit blijkt waarom het asielrelaas van eiseres, ondanks haar referentiekader, ongeloofwaardig is geacht. De minister heeft, ook met de toelichting tijdens de zitting, niet geconcretiseerd hoe uit de individuele tegenwerpingen blijkt dat er rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht, zoals de omstandigheid dat zij geen scholing heeft gehad en haar culturele achtergrond. De beroepsgrond slaagt.
Over de in beroep ingediende documenten ter onderbouwing van de geloofwaardigheid
8. Eiseres voert aan dat zij - naast de eerder ingediende kopie van de huwelijksakte, overlijdensakte en de werkpas - inmiddels beschikt over de originele huwelijksakte en overlijdensakte. Nu Bureau Documenten deze documenten niet op echtheid kan beoordelen en een neutraal advies heeft afgegeven, dienen deze documenten een positief gewicht te krijgen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiseres voert verder aan dat zij inmiddels beschikt over de volgende documenten: het originele Somalische diplomatenpaspoort van haar echtgenoot, een kopie van het Somalische paspoort van eiseres, twee originele verklaringen van de Somalische ambassade in Brussel ter bevestiging van het huwelijk en het overlijden, foto’s van de echtgenoot tijdens zijn opname en medische behandeling in een ziekenhuis in Duitsland en een lijst van de leden van het parlement van de regionale regering van [plaats 2] , waar de echtgenoot staat vermeld op nummer 36. Eiseres voert aan dat zij met deze bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij gehuwd was met haar echtgenoot, dat hij diplomaat was en dat hij is overleden in [datum overlijden] 2024. Eiseres voert voorts aan dat in het bestreden besluit niet, althans onvoldoende is gemotiveerd waarom aan haar niet het voordeel van de twijfel is gegeven.
De minister heeft tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat, zelfs al zou worden uitgegaan van de authenticiteit van alle in beroep ingediende documenten, de door eiseres gestelde problemen met Al-Shabaab nog steeds ongeloofwaardig worden geacht. De minister werpt niet langer tegen dat eiseres summier heeft verklaard over de relatie met haar echtgenoot (punt 2.1. van het voornemen) en evenmin dat zij vaag en wisselend heeft verklaard over zijn politieke functie (punt 2.2. van het voornemen). Ook werpt de minister niet langer tegen dat de foto’s van eiseres en haar echtgenoot en van de echtgenoot met zijn bewakers en van zijn werkpasje het asielrelaas van eiseres niet ondersteunen (punt 2.5. van het voornemen). Wel werpt de minister nog immer tegen dat eiseres wisselend heeft verklaard over de mishandelingen door Al-Shabaab (punt 2.3. van het voornemen) en dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab het op eiseres persoonlijk heeft voorzien (punt 2.4. van het voornemen).
De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Uit rechtsoverweging 8.1. blijkt dat de minister een aanzienlijk gedeelte van het asielrelaas van eiseres in de beroepsfase alsnog geloofwaardig acht. Bij deze stand van zaken heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de gestelde problemen met Al-Shabaab nog immer ongeloofwaardig worden geacht en hoe de geloofwaardig geachte delen in de integrale beoordeling meewegen ten opzichte van de ongeloofwaardig geachte delen. Ook heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom aan eiseres niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. De minister heeft aan eiseres tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab pas op zoek naar eiseres is gegaan drie jaar nadat haar echtgenoot was gestopt als parlementslid. Hiertegenover staat de verklaring van eiseres dat [plaats 3] werd overgenomen door Al-Shabaab en dat zij in de winkel waar zij werkte vragen kreeg. De minister heeft ook van belang geacht dat de echtgenoot van eiseres nimmer noemenswaardige problemen heeft gehad met Al-Shabaab. Hiertegenover staan de verklaringen van eiseres dat haar echtgenoot wel een telefonische bedreiging heeft gekregen in 2018 en dat hij - ook nadat hij was gestopt als parlementslid - nooit de deur uit ging zonder bewakers. Gelet op de door eiseres in de zienswijze ingediende algemene landeninformatie - waaruit blijkt dat parlementsleden en hun familieleden het doelwit kunnen zijn van Al-Shabaab - en gelet op de omstandigheid dat niet langer in geschil is dat eiseres was gehuwd met een (voormalig) parlementslid, heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom aan eiseres ten aanzien van de problemen met Al-Shabaab niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. De minister heeft verder in de beoordeling mogen betrekken dat eiseres in haar vrije relaas heeft verklaard dat zij drie keer fysiek is mishandeld (exclusief het moment waarop zij uit de winkel werd meegenomen) en dat eiseres later heeft verklaard dat zij twee keer fysiek is mishandeld (exclusief het moment waarop zij uit de winkel werd meegenomen). Eiseres heeft echter tijdens het nader gehoor direct verklaard dat zij zich op dit punt heeft vergist en heeft haar verklaring ook in de correcties & aanvullingen aangepast. Ook dit punt heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk betrokken bij de vraag waarom aan eiseres niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. De beroepsgrond slaagt. Over de vraag of eiseres als alleenstaande vrouw bescherming behoeft
9. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als alleenstaande vrouw als bedoeld in het landgebonden beleid. Volgens eiseres moet een vrouw worden aangemerkt als alleenstaand als zij geen mannelijke bescherming kan krijgen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2019, p. 46; het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2025, p. 96; EUAA, Country Guidance Somalia van oktober 2025, p. 63-64 en naar een beslisnota inzake de wijziging van het landgebonden beleid ten aanzien van Somalië van 4 april 2025 (6308577). Eiseres kan dus geen bescherming krijgen van haar moeder of tante omdat zij geen mannelijke familieleden zijn. Ook is haar tante teruggekeerd naar [plaats 3] . De volle broer van eiseres kan ook geen bescherming verlenen omdat hij halfzijdig blind is. Verder heeft eiseres geen contact met haar halfbroer. Eiseres voert verder aan dat de omstandigheid dat zij zwanger is van een tweeling, zonder dat zij is gehuwd, blijkens de EUAA Country Guidance Somalia een risico-omstandigheid is.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de algemene landeninformatie waarnaar zij heeft verwezen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij uitsluitend bescherming kan krijgen van mannelijke familieleden. Uit het meest recente Ambtsbericht van maart 2025 blijkt dat de voornaamste actor van bescherming van de alleenstaande vrouw de grootfamilie van de vrouw is. Hieronder wordt verstaan: het uitgebreide gezin waartoe naast vader, moeder en kinderen ook grootouders, ooms, tantes, neven en nichten kunnen behoren. In de Country Guidance van de EUAA staat dat de grootte van het risico dat alleenstaande vrouwen lopen, onder meer afhankelijk is van de vraag in hoeverre zij bescherming kunnen krijgen van de ‘extended family or clan’. Ook hieruit blijkt dus niet dat bescherming uitsluitend kan worden geboden door mannelijke familieleden. De enkele omstandigheid dat Denemarken alleenstaande vrouwen als vluchteling erkent als zij niet over een mannelijk netwerk beschikken, is onvoldoende voor een ander oordeel. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de minister volgen in diens standpunt dat eiseres bescherming kan krijgen van haar moeder. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat haar broer half blind is, maakt dat deze broer in het geheel geen bescherming kan bieden aan eiseres. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij geen enkel contact heeft met haar volle broer. Uit de Country Guidance van de EUAA blijkt voorts dat zwangerschappen zonder huwelijk en buitenechtelijke kinderen een risico-omstandigheid vormen en dat alleenstaande vrouwen vaak steun krijgen van de gemeenschap en/of het clannetwerk, mits zij het gewoonterecht en heersende normen niet hebben overtreden. Deze informatie is relevant omdat eiseres heeft aangevoerd dat zij zwanger is van een tweeling (twee meisjes), dat zij is uitgerekend in maart 2026 en dat de kinderen niet worden geboren uit een huwelijk. Het standpunt van de minister dat het enkele feit dat eiseres zwanger is nog niet betekent dat zij op basis daarvan problemen heeft en dat de kinderen er nog niet zijn, miskent dat de zwangerschap zonder huwelijk wel een risico-omstandigheid is die dient te worden betrokken in de beoordeling. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd wat de betekenis is van deze omstandigheid in de beoordeling. De beroepsgrond op dit punt slaagt. Gegeven het tijdsverloop sinds de zitting en deze uitspraak dient de minister, in het geval dat eiseres inmiddels is bevallen van de twee meisjes, ook deze omstandigheid te betrekken in de beoordeling.
Ambtshalve toets verblijfsvergunning regulier
10. Eiseres voert aan dat zij een duurzame liefdesrelatie heeft met een Nederlander, van wie zij zwanger is van een tweeling en dat de minister dit moet betrekken bij de vraag of aan haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend.
De rechtbank houdt rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd en die betrekking hebben op de ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar beroepsgronden van 29 november 2025 voor het eerst heeft aangevoerd dat zij zwanger is van een partner met wie zij een duurzame liefdesrelatie heeft en dat zij deze stelling in het geheel niet onderbouwd heeft. Eiseres heeft niet toegelicht waarom zij hiervan niet eerder melding heeft gemaakt. Het inbrengen van nieuwe feiten, zonder enige onderbouwing, in een dusdanig laat stadium acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde en zou leiden tot een ontoelaatbare vertraging van de afdoening van de zaak. Deze feiten zullen dan ook buiten de beoordeling worden gelaten.Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de overige beroepsgronden onbesproken. Dat geldt ook voor de beroepsgrond van eiseres dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om het visumdossier op te vragen bij de Duitse autoriteiten. Wat daar ook van zij, de minister acht inmiddels het huwelijk met en de werkzaamheden van de echtgenoot geloofwaardig en eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke informatie zij nu nog wil verkrijgen uit het visumdossier.
12. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 september 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.E. Kersten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.