RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3787
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens een schriftelijke reactie ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Labban als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is vanwege de oorlog in Syrië gevlucht. Zijn woonplaats is herhaaldelijk gebombardeerd waardoor hij zich niet veilig heeft gevoeld. Eiser vreest ook de lokale autoriteiten. De autoriteiten zouden achterdochtig zijn naar hem vanwege zijn Arabische afkomst. Eiser vreest daarom te worden gearresteerd voor banden met VSL of ISIS bij terugkeer in Syrië.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig gevonden, maar stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser verklaart problemen te ondervinden vanwege zijn Arabische afkomst. De verklaringen van eiser geven ook aan dat toegang tot zorg en de scholing van zijn kinderen lastig is omdat dit enkel in Koerdisch wordt gegeven. Hieruit blijkt niet dat eiser te maken heeft gehad met discriminatie vanwege zijn Arabische etniciteit. De minister stelt verder zich op het standpunt dat eiser zijn vrees voor de reservistendienst van het oude regime niet aannemelijk heeft gemaakt. Het oude regime is namelijk gevallen. Sindsdien is de dienstplicht en de reservistendienst opgeheven. Daarnaast loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De humanitaire omstandigheden in Syrië spelen geen (doorslaggevende) rol, omdat de huidige situatie niet of slechts in beperkte mate te wijten is aan een lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering van Assad, die nu geen actor meer is in het conflict.
Beroepsgronden
9. De rechtbank stelt voorop dat partijen hun standpunten uitgebreid schriftelijk hebben toegelicht en dat deze standpunten op de zitting uitgebreid door partijen zijn toegelicht en zijn besproken. De rechtbank beperkt zich hierna echter tot beoordeling van de beroepsgronden betreffende artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
10. Eiser voert in dat kader onder meer aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De veiligheidssituatie in Syrië is fragiel en diffuus. Eiser verwijst naar het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, het jaarrapport 2026 van Human Rights Watch, een rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) en een brief van Vluchtelingenwerk Nederland. Verder voert eiser aan dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met willekeurig geweld betrokken moeten worden bij de beoordeling.
Beoordeling
11. De minister heeft zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam). De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers.
12. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet, althans onvoldoende, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.
13. De beroepsgrond slaagt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat de minister het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel ingevolge artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van twaalf weken.
17. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 januari 2026;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 7 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.