RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53008
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
(gemachtigde: mr. W. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en het opleggen van een terugkeerbesluit naar Israël (Gaza). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven. Wel vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt een staatloze Palestijn afkomstig uit Gaza te zijn en te zijn geboren op 2 april 2008. Eiser beschikt over een Grieks vluchtelingenpaspoort en een Griekse verblijfsvergunning. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij brief van 27 februari 2026 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft partijen op 16 april 2026 schriftelijk vragen gesteld.
Bij brief van 28 april 2026 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser zich op 27 maart 2026 weer heeft gemeld in [locatie] met de wens om terug te keren naar Griekenland.
Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 30 april 2026 gereageerd op de brief van de minister.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De aanvraag is buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en ook uit informatie van Stichting Nidos blijkt dat eiser op 24 augustus 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen, omdat wordt aangenomen dat eiser geen behoefte meer heeft aan dit onderzoek. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, Vw. Hij dient terug te keren naar Israël (Gaza).
Heeft de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen?
4. Eiser voert aan dat de minister de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden, omdat hij heeft nagelaten voor het buiten behandeling laten van de aanvraag, navraag te doen bij Nidos. Eiser zijn tijdelijke afwezigheid uit de opvang was ingegeven door persoonlijke en psychische onrust en Nidos had hiervan op de hoogte moeten zijn. De enkele melding dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken is onvoldoende voor de conclusie dat hij duurzaam onvindbaar was. Bij alleenstaande minderjarige vluchtelingen ligt er op de minister een verzwaarde onderzoekplicht. De minister heeft het evenredigheid- en proportionaliteitsbeginsel geschonden, omdat de maatregel onevenredig is gelet op de jeugdige leeftijd van eiser en het ontbreken van eigen toerekenbaarheid.
Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw buiten behandeling worden gesteld, indien de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming van de minister is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten.
Niet in geschil is dat eiser procesbelang heeft bij de procedure nu uit de brief van 28 april 2026 blijkt dat eiser zich weer heeft gemeld in [locatie] . Ook is niet in geschil dat eiser op 24 augustus 2025 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er contact is geweest met het COA en Stichting Nidos om navraag te doen naar eiser zijn verblijfplaats voordat het voornemen tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag is uitgebracht en wijst ter onderbouwing naar p. 2 van het voornemen. De rechtbank volgt het standpunt van de minister. Voor zover eiser stelt dat dit contact niet heeft plaatsgevonden, heeft hij dit niet onderbouwd. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn niet verschenen ter zitting om dit nader toe te lichten.
De minister heeft in het voornemen van 13 oktober 2025 eiser de gelegenheid geboden om binnen twee weken contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. In het voornemen is vermeld dat indien eiser geen contact opneemt, de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Eiser is verder in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk te reageren door middel van een zienswijze. De rechtbank stelt vast dat er geen zienswijze is ingebracht op het voornemen en dat eiser geen contact heeft opgenomen met de minister. Voor zover eiser stelt dat zijn afwezigheid was ingegeven door persoonlijke en psychische onrust is dit onvoldoende gebleken. De minister heeft, op het moment van het nemen van het bestreden besluit, het gestelde door eiser niet kunnen betrekken bij de vraag of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het zonder toestemming (tijdelijk) vertrekken. Gelet op het voorgaande heeft de minister voldaan aan de op hem rustende onderzoekplicht. De maatregel is niet onevenredig of disproportioneel gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden en het feit dat voor eiser de mogelijkheid bestaat om een nieuwe aanvraag in te dienen nu hij zich weer heeft gemeld.
Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 4.1. tot en met 4.3. is de rechtbank van oordeel dat de minister op 29 oktober 2025 de asielaanvraag op goede gronden buiten behandeling heeft gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister een terugkeerbesluit naar Israël (Gaza) mogen opleggen?
5. Eiser voert aan dat de minister het terugkeerbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen nu eiser een Griekse verblijfsstatus heeft en de minister voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit met de Griekse autoriteiten had moeten overleggen. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juli 2025.
Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een vreemdeling met een Griekse vluchtelingenstatus ten volle rekening moet houden met deze toekenning en de elementen waarop deze is gebaseerd. De minister moet de Griekse autoriteiten in kennis stellen van het bij haar ingediende nieuwe verzoek en zijn standpunt daarover. Ook moet hij de autoriteiten verzoeken om hem binnen een redelijke termijn de informatie te geven waarover zij beschikken. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten op grond van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn. Zolang het onduidelijk is of de Griekse autoriteiten dit zullen doen, wordt er niet toegekomen aan de vraag of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen.
Ter zitting heeft de minister toegelicht dat er geen contact is opgenomen met de Griekse autoriteiten, omdat eiser voor het nader gehoor al met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor de asielaanvraag niet inhoudelijks is beoordeeld en buitenbehandeling is gesteld. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 gaat volgens de minister niet op nu het in deze uitspraak ging om een aanvraag die niet ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw.
De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen voor zover hij stelt dat hij geen contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten over de erkenning van eiser als vluchteling en de elementen waarop deze erkenning is gebaseerd, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en niet aan een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag is toegekomen. De rechtbank overweegt echter dat nu de minister na de buitenbehandelingstelling van de aanvraag geen contact heeft opgenomen met de Griekse autoriteiten, niet duidelijk is geworden dat de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus van eiser intrekken of beëindigen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister daarom (nog) geen terugkeerbesluit aan eiser mocht opleggen. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit is opgelegd.
De rechtbank constateert dat met de vernietiging van het terugkeerbesluit een situatie ontstaat die onverenigbaar is met artikel 45 van de Vw. Daarin is immers bepaald dat het besluit waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, geldt als een terugkeerbesluit. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zou het echter in strijd zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht als de minister een terugkeerbesluit zou opleggen zonder dat hij de uitkomst van zijn beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en zij hebben bevestigd dat zij de vluchtelingenstatus van eiser zullen intrekken. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 6 lid 1 en 2 van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000 in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand te laten. De rechtbank laat het bestreden besluit in stand voor zover daarbij de asielaanvraag buiten behandeling is gelaten.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2025 voor zover daarin is beslist dat eiser moet terugkeren naar Israël (Gaza);
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.