ECLI:NL:RBDHA:2026:13919

ECLI:NL:RBDHA:2026:13919

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer NL26.8567
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asielaanvraag, Syrië, niveau van willekeurig geweld, 15c, humanitaire omstandigheden, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8567

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),

en

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. Eiser is geboren in [geboorteplaats] en heeft de Koerdische etniciteit. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en S. Mousafa als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is in 2013 gevlucht naar Turkije vanuit Syrië met zijn vader, moeder en twee broers. Zijn vader is in 2014 teruggekeerd naar Syrië, waar hij is opgepakt en in 2016 is vermoord door de Islamitische Staat (IS). Zijn broer is ontvoerd door IS toen hij ongeveer 30 jaar oud was. Eiser vreest bij terugkeer voor hetzelfde lot als zijn vader en broer. De nieuwe president, Ahmad Al Sharaa, zat eerst bij IS en verspreid dit gedachtegoed onder het Syrische volk. De huidige regering ziet Koerden als verraders, afvalligen en varkens. De regering zal hem vals beschuldigen van banden met de SDF. Eiser is tegen de huidige regering en heeft zich eenmaal negatief uitgelaten over de huidige president op zijn sociale media. Verder vreest eiser bij terugkeer voor rekrutering door de SDF door de ingevoerde dienstplicht. Dit blijkt uit een online bevel waarin staat dat alle Koerden zich moeten verzamelen en een eenheid moeten vormen om het volk en de omgeving te beschermen. Eiser wil niet deelnemen aan de oorlogsvoering in Syrië, omdat hij tegen geweld is. Daarnaast is er een ernstige humanitaire crisis in Kobani. De stad wordt omsingeld door Turkse tanks en militaire voertuigen. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de groepering Amshaat/Hamzaat. De groepering vermoord Koerden in Syrië en wordt gesteund door Turkije en de huidige Syrische regering.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. Uw identiteit, nationaliteit en herkomst.

2. De algemene situatie in Syrië.

3. Gedwongen rekrutering door de Koerdische SDF.

4. De moord op uw vader en vermissing van uw broer. Uw problemen met IS.

5. Uw politieke overtuiging.

6. Problemen vanwege de Koerdische etniciteit.

De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. De moord op eiser zijn vader en de vermissing van zijn broer acht de minister ook geloofwaardig. Eiser zijn problemen met IS zijn niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser zijn politieke overtuiging is wel geloofwaardig. Dit leidt echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging, omdat de overtuiging niet heel sterk is. Ook de Koerdische etniciteit leidt niet tot een gegronde vrees voor vervolging. Koerden vormen geen risicoprofiel en uit het Algemeen ambtsbericht Syrië mei 2025 volgt juist een verbetering van de positie van Koerden in de Syrische maatschappij na de val van Assad. Verder geldt voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld en zijn er geen individuele risico verhogende omstandigheden, waardoor er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De gedwongen rekrutering door de Koerdische groepering SDF leidt ook niet tot een reëel risico op ernstige schade, omdat niet is gebleken dat de dienstplicht geldt in het herkomstgebied van eiser en hij persoonlijk nooit een oproep heeft ontvangen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

Beroepsgronden

5. Eiser voert aan, voor zover hier van belang, dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025 waaruit blijkt dat humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken wanneer zij het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij het gewapend conflict. Ter onderbouwing van de onstabiele veiligheidssituatie in Aleppo verwijst eiser naar de Algemene ambtsberichten Syrië van mei 2025 en januari 2026; rapporten van de ACCORD, EUAA en de Finse Immigratiedienst en verschillende nieuwsartikelen en rapportages.

Beoordeling

6. De rechtbank stelt voorop dat partijen hun standpunten uitgebreid schriftelijk hebben toegelicht en dat deze standpunten op de zitting door partijen uitgebreid zijn toegelicht en zijn besproken. De rechtbank beperkt zich hierna echter tot de beoordeling van de beroepsgronden betreffende artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De minister heeft zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam). De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers.

Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet, althans onvoldoende, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.

De beroepsgrond slaagt. Wat partijen verder hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiser is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 februari 2026;

- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr.R.R. Nortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand