[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Overwegingen
1. Bij besluit van 18 december 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om het wissen van een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS) afgewezen.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
4. In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht wordt geheven.
In artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
In artikel 8:41, zesde lid, van de Awb is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het verschuldigde bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Bij brief van 16 januari 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan de indiener van het beroepschrift medegedeeld dat het verschuldigde griffierecht uiterlijk vier weken na de datum van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. In deze brief is voorts vermeld dat als het verschuldigde bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven op de vermelde rekening, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
6. Uit de administratie van de rechtbank is gebleken dat voormelde termijn is verstreken zonder dat het verschuldigde griffierecht is voldaan. Daarom is aan de indiener van het beroepschrift bij aangetekend verzonden brief van 16 februari 2026 een herinnering verstuurd met de mededeling dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde bedrag niet binnen vier weken na dagtekening van de herinnering is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. In een bijlage bij deze brief is een vertaling ervan in (onder meer) de Engelse taal opgenomen.
7. Op 26 februari 2026 is de aangetekend verzonden brief bij de rechtbank retour ontvangen. De griffier heeft vervolgens onder toepassing van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb op 26 februari 2026 de brief van 16 februari 2026 verzonden naar het in het bestreden besluit vermelde e-mailadres. De rechtbank gaat er van uit dat eiser deze e-mail heeft ontvangen, nu gelet op het ingestelde beroep, het in het bestreden besluit genoemde
e-mailadres bij hem in gebruik is.
8. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Niet gebleken is dat dit verzuim eiser niet is toe te rekenen. Hij heeft ook geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
9. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt op 29 mei 2026 .
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.