ECLI:NL:RBDHA:2026:13959

ECLI:NL:RBDHA:2026:13959

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 23.21211
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Guinee, AMV-buitenschuldbeleid, artikel 8 van het EVRM, rechtbank komt in haar eindspraak terug op haar oordeel in de tussenuitspraak dat voor eiser ten tijde van diens minderjarigheid in Guinee adequate opvang aanwezig was in opvanghuis Maison du Bonheur. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Met betrekking tot het standpunt dat van de minister dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak echter een gebrek geconstateerd. De rechtbank komt in haar einduitspraak terug van haar oordeel in de tussenuitspraak dat voor eiser in Guinee sprake was van adequate opvang in opvanghuis Maison du Bonheur. Reden daarvoor is dat het oordeel van de rechtbank op dit punt nadien onmiskenbaar onjuist is gebleken. In het verweerschrift van 6 maart 2026 heeft de minister immers aangegeven dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat bij terugkeer naar Guinee adequate opvang voor hem beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur. Ter toelichting op dit gewijzigde standpunt heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3033) waarop ook eiser in zijn reactie van 21 december 2025 heeft gewezen. Naar aanleiding van die uitspraak werpt de minister opvanghuis Maison du Bonheur niet langer tegen aan personen ouder dan vijftien jaar, tenzij de DT&V in individuele gevallen concludeert dat er opvang beschikbaar is in deze voorziening. Ook in eisers geval werpt de minister dit opvanghuis niet langer tegen. De minister heeft verder geen aanvullend onderzoek gedaan naar voor eiser in Guinee beschikbare adequate opvang ten tijde van diens minderjarigheid. Dat had wel op zijn weg gelegen, omdat in de rechtens onaantastbare uitspraak van 24 december 2021 is geoordeeld dat eiser een geslaagd beroep toekomt op het arrest TQ en dat niet is gebleken dat de minister alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen heeft onderzocht of er voor eiser adequate opvang is. Dit betekent dat de minister onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 24 december 2021 en dat de rechtbank ook niet toekomt aan een beoordeling van het betoog van de minister dat hij wel voldoende onderzoek heeft verricht in het licht van het gestelde gebrek aan medewerking aan de zijde van eiser. Het beroep is al om die reden gegrond en het bestreden besluit moet in zoverre dan ook worden vernietigd. Nu de minister al met de uitspraak van 24 december 2021 expliciet de mogelijkheid is geboden opnieuw te onderzoeken of er destijds adequate opvang voor eiser aanwezig was in Guinee en de minister evenwel hiervan onvoldoende gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank het niet opportuun de minister deze kans opnieuw te geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers aanvraag dateert uit 2019 en dat daarop tot op heden nog altijd niet onherroepelijk is beslist. De consequentie daarvan is dat de rechtbank concludeert dat in Guinee voor eiser tot zijn achttiende verjaardag geen adequate opvang beschikbaar was. Dat betekent dat de minister zal worden opgedragen aan eiser een vergunning te verlenen op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Het oordeel van de rechtbank over het recht op een AMV-buitenschuldvergunning heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft ter zitting erkend dat het recht op een AMV-buitenschuldverlening gevolgen heeft voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft de minister toegelicht dat hij nog geen standpunt kan innemen over de omvang en invulling van deze gevolgen. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet beoordelen of de minister het in de tussenuitspraak geconstateerd gebrek heeft hersteld. De rechtbank kan daarom ook niet beoordelen of de rechtsgevolgen van dit deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, dan wel dat de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat dit onderdeel van het bestreden besluit nog steeds in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en in zoverre moet worden vernietigd. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de minister ook opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

einduitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.21211

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de minister van Asiel en Migratie, daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers, de minister

(gemachtigden: mr. H. Toonders en mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft de minister ambtshalve niet aan eiser een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verstrekt. Evenmin heeft de minister aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A.O. Bah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Toonders.

De rechtbank heeft op 11 december 2024 tussenuitspraak gedaan. Bij die tussenuitspraak is het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen dat ziet op de weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te verstrekken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De minister heeft de rechtbank op 19 december 2024 bericht gebruik te maken van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Daarbij heeft de minister aangekondigd dat eiser aanvullend zal worden gehoord.

Eiser is op 4 februari 2025 aanvullend gehoord.

De minister heeft op 25 maart 2025 een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft hierop gereageerd op 21 december 2025.

De minister heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 10 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L.S. Hartog.

Beoordeling door de rechtbank

De tussenuitspraak

1. In de tussenuitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Echter, met betrekking tot het standpunt van de minister dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

De minister heeft zijn weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verstrekken onder meer gebaseerd op het feit dat eiser niet nader heeft geconcretiseerd en gemotiveerd in welke mate hij in Nederland is geworteld en geïntegreerd. Volgens de minister valt dat evenmin af te leiden uit eisers verklaringen en de overige voorhanden zijnde informatie.

De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel bij de beoordeling van verblijfsaanspraken als deze het in beginsel aan de vreemdeling is om feiten te stellen en te onderbouwen op grond waarvan hij aanspraak meent te kunnen maken op regulier verblijf, dit in zaken zoals deze iets genuanceerder ligt. Vaststaat immers dat de uiteindelijke besluitvorming van de minister forse vertraging heeft opgelopen wegens gebreken in eerdere besluitvorming. Onder die omstandigheden past het niet om eiser tegen te werpen dat hij zijn verblijfsaanspraken onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd, wanneer de minister eiser hierover niet opnieuw heeft gehoord of anderszins uitdrukkelijk heeft uitgenodigd hierover actuele informatie te verstrekken. Daarbij is in dit geval van belang dat de minister zijn beoordeling ten aanzien van artikel 8 van het EVRM in het voornemen van 17 april 2023 en het bestreden besluit heeft gebaseerd op een drietal aanmeldgehoren uit 2019, een eerste gehoor uit 2020 en het rapport van nader gehoor van 3 augustus 2020. Deze gehoren waren ten tijde van de bestreden besluitvorming (ruim) drie jaar oud en gaven daarmee geen actueel beeld van (onder meer) eisers privéleven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister door niet actief het effect van dit tijdsverloop te onderzoeken, het bestreden besluit voor wat betreft de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Op dit punt vertoont het bestreden besluit daarom een gebrek.

Gewijzigde omstandigheden ná de tussenuitspraak

2. Deze einduitspraak bouwt in beginsel voort op de tussenuitspraak zoals hiervoor weergegeven. Dat betekent dat de rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank immers niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 en 15 augustus 2012.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. De rechtbank ziet aanleiding om terug te komen van haar oordeel in de tussenuitspraak dat de minister zich in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Reden daarvoor is dat het oordeel van de rechtbank op dit punt nadien onmiskenbaar onjuist is gebleken. In het verweerschrift van 6 maart 2026 heeft de minister immers aangegeven dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat bij terugkeer naar Guinee adequate opvang voor hem beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, terwijl de rechtbank dit standpunt in de tussenuitspraak heeft gevolgd en het eerdergenoemde oordeel van de rechtbank hierop is gebaseerd. Ter toelichting op dit gewijzigde standpunt heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025 waarop ook eiser in zijn reactie van 21 december 2025 heeft gewezen. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor die vreemdeling adequate opvang aanwezig is bij het opvanghuis Maison du Bonheur onder meer omdat uit het Thematisch ambtsbericht Guinee van 1 mei 2020 niet blijkt dat het opvanghuis ook kinderen boven de vijftien jaar opvangt. Daarnaast heeft de rechtbank in die zaak volgens de Afdeling terecht overwogen dat de minister zich niet in lijn met het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 (het arrest TQ) ervan heeft overtuigd dat er bij het opvanghuis plek is voor die vreemdeling. De minister had volgens de Afdeling moeten onderzoeken in hoeverre Maison du Bonheur in het individuele geval van die vreemdeling adequate opvang biedt. Dat heeft de minister niet gedaan. De minister betoogt in hoger beroep slechts dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in soortgelijke zaken contact heeft gehad met de oprichtster van Maison du Bonheur en zij verwijst naar de openbare website van het weeshuis. Dat acht de Afdeling onvoldoende. De minister heeft in onderhavige zaak in het verweerschrift van 6 maart 2026 toegelicht dat hij naar aanleiding van deze uitspraak opvanghuis Maison du Bonheur niet langer tegenwerpt aan personen ouder dan vijftien jaar, tenzij de DT&V in individuele gevallen concludeert dat er opvang beschikbaar is in deze voorziening. Ook in eisers geval werpt de minister dit opvanghuis niet langer tegen.

Bij het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin betrekt de rechtbank dat de rechtszekerheid zich niet verzet tegen het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over adequate opvang in opvanghuis Maison du Bonheur. De minister erkent dat dit standpunt bij nader inzien niet deugt, waarna eiser op de zitting van 6 maart 2026 heeft betoogd dat er niet alleen aanleiding bestaat terug te komen van dit oordeel in de tussenuitspraak, maar dat de rechtbank hiertoe zelfs verplicht is. Tussen partijen is dus niet in geschil dat het eerdere oordeel van de rechtbank onmiskenbaar onjuist is. Het terugkomen op dit oordeel komt voor partijen dus niet onverwacht.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank in deze einduitspraak niet zal voortbouwen op de tussenuitspraak waar dit het oordeel over de beschikbaarheid van adequate opvang in Guinee betreft. De rechtbank zal in deze einduitspraak de actuele standpunten van partijen hierover beoordelen. Voor het overige blijft de rechtbank bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De einduitspraak bouwt in zoverre voort op de tussenuitspraak.

Reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid

Het standpunt van de minister

3. De minister heeft zich in het verweerschrift van 6 maart 2026 op het standpunt gesteld dat weliswaar niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat er in Guinee voor hem adequate opvang beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, maar dat dit niet betekent dat eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Daartoe betoogt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt welke inspanningen hij heeft verricht om contact te krijgen met zijn familie in Guinee. Aldaar zou eiser nog zijn moeder, twee broertjes en een zusje hebben. Ook een tracingsverzoek via het Rode Kruis heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar zegt eiser dat hij contact heeft opgenomen met het Rode Kruis, maar hij onderbouwt dit niet. Daarom kon volgens de minister gedurende de besluitvorming nog geen adequate opvang worden vastgesteld. De minister wijst erop dat de asielgehoren ook tellen als onderzoek. Er zijn daar namelijk ook vragen gesteld over bijvoorbeeld familie, documenten, herkomst en het contact met het Rode Kruis. Ook is in het nader gehoor van 3 augustus 2020 nog aandacht besteed aan de leeftijdsregistratie van [geboortedatum] 1997 in Spanje, wat relevant is voor de vaststelling van de identiteit. De minister stelt dat hij door eiser te horen en doordat eiser zijn gestelde inspanningen niet heeft onderbouwd voortvarend heeft gehandeld, al kon er ten tijde van de besluitvorming (nog) geen adequate opvang worden vastgesteld. Om die reden komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een reguliere vergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid.

Het oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2021. In deze uitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat eiser een geslaagd beroep deed op het arrest TQ. Zij overwoog daartoe dat niet in geschil is dat eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en dat eiser ten tijde van de asielaanvraag van 27 augustus 2019 minderjarig was (bijna zeventien jaar oud). Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de minister alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen heeft onderzocht of er voor eiser in Guinee adequate opvang is. Eiser heeft weliswaar verklaard dat zijn moeder, twee van zijn broers en een zus nog in Guinee verblijven, maar hij heeft daaraan ook toegevoegd dat hij niet weet of ze nog in de wijk Dar el Salam in Conakry verblijven omdat hij al lang geen contact meer met hen heeft gehad. De minister had deze verklaringen niet kenbaar betrokken in zijn besluit van 2 december 2020. De rechtbank oordeelde dat de minister zich hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is, terwijl het op grond van het arrest TQ wel op zijn weg ligt om dat concreet te onderzoeken. Deze uitspraak staat in rechte vast en dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel vormt in zoverre het uitgangspunt van de beoordeling van het in deze procedure bestreden besluit en de nadere motivering van de minister.

De rechtbank stelt verder vast dat de minister ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 24 december 2021 in het bestreden besluit heeft gewezen op opvanghuis Maison du Bonheur dat volgens de minister aanvankelijk als algemene opvangvoorziening kon dienen in het kader van adequate opvang. Dat standpunt heeft de minister zoals hiervoor overwogen inmiddels verlaten. Om die reden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de minister inmiddels op andere wijze alsnog onderzoek heeft gedaan naar voor eiser in Guinee beschikbare adequate opvang ten tijde van zijn minderjarigheid. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. De minister heeft immers geen ander, aanvullend onderzoek verricht naar de beschikbaarheid van adequate opvang dan te wijzen op opvanghuis Maison du Bonheur en daarnaast andermaal te betogen dat hij wél onderzoek heeft verricht naar adequate opvang bij familie, te weten tijdens de asielgehoren in 2020. Voor dat laatste standpunt is in deze procedure geen plaats omdat al in rechte vaststaat dat de minister zich destijds hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is terwijl het wel op zijn weg lag om dat concreet te onderzoeken.

Het voorgaande betekent dat de minister onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 24 december 2021 en dat de rechtbank ook niet toekomt aan een beoordeling van het betoog van de minister dat hij wel voldoende onderzoek heeft verricht in het licht van het gestelde gebrek aan medewerking aan de zijde van eiser.

Het beroep is al om die reden gegrond en het bestreden besluit moet in zoverre dan ook worden vernietigd. Nu de minister al met de uitspraak van 24 december 2021 expliciet de mogelijkheid is geboden opnieuw te onderzoeken of er destijds adequate opvang voor eiser aanwezig was in Guinee en de minister evenwel hiervan onvoldoende gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank het niet opportuun de minister deze kans opnieuw te geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers aanvraag dateert uit 2019 en dat daarop tot op heden nog altijd niet onherroepelijk is beslist. De consequentie daarvan is dat de rechtbank concludeert dat in Guinee voor eiser tot zijn achttiende verjaardag geen adequate opvang beschikbaar was. Dat betekent dat de minister zal worden opgedragen aan eiser een vergunning te verlenen op grond van het AMV-buitenschuldbeleid tot zijn achttiende verjaardag.

Reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM

5. Het oordeel van de rechtbank over het recht op een AMV-buitenschuldvergunning heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Nu deze gevolgen pas kenbaar zijn als gevolg van deze uitspraak, heeft de minister logischerwijs deze gevolgen niet betrokken bij de aanvullende motivering. In het kader van de finale geschilbeslechting heeft de rechtbank tijdens de zitting de minister in de gelegenheid gesteld hierover een standpunt in te nemen. De minister heeft ter zitting erkend dat het recht op een AMV-buitenschuldverlening gevolgen heeft voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft de minister toegelicht dat hij nog geen standpunt kan innemen over de omvang en invulling van deze gevolgen. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet beoordelen of de minister het in de tussenuitspraak geconstateerd gebrek heeft hersteld. De rechtbank kan daarom ook niet beoordelen of de rechtsgevolgen van dit deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, dan wel dat de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat dit onderdeel van het bestreden besluit nog steeds in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en in zoverre moet worden vernietigd. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de minister ook opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Daarom zal de rechtbank de minister (ook) opdragen, gelet op het feit dat eiser inmiddels meerderjarig is, om binnen twee weken, dan wel binnen zes weken indien de minister het aanvullend horen van eiser aangewezen acht, opnieuw te beslissen over de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij zal de minister moeten betrekken wat het betekent dat eiser tot zijn achttiende in aanmerking kwam voor een AMV-buitenschuldvergunning, met name bij de vraag of eiser vanaf zijn achttiende in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van bijvoorbeeld artikel 7 van het Handvest dan wel artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een reguliere verblijfsvergunning is geweigerd op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal de minister opdragen aan eiser een AMV-buitenschuldvergunning te verstrekken tot zijn achttiende verjaardag. Daarnaast zal de rechtbank de minister opdragen binnen twee weken, dan wel zes weken, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.

Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.269,00 waarbij voor de proceshandelingen van de gemachtigde van eiser 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor de nadere zitting na tussenuitspraak, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, voorzitter, en mr. F.M.E. Schulmer en mr. R. Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.A.J. de Jong - Nibourg
  • mr. F.M.E. Schulmer
  • mr. R. Barzilay

Griffier

  • mr. A.A.M.J. Smulders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand