ECLI:NL:RBDHA:2026:13972

ECLI:NL:RBDHA:2026:13972

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer NL26.29380
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Dublin Polen. Voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster MOB. UOD verlengd Geen spoedeisend belang

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29380

gemachtigde: mr. E. Derksen,

en

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder op 23 februari 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening (NL26.10025), tezamen met de zaak NL26.10024, op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 27 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak te reageren op de medische stukken.

De rechtbank heeft vervolgens besloten het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 18 mei 2026 op zitting te behandelen. Bij brief van 13 mei 2026 heeft de minister verzocht om aanhouding van de behandeling ter zitting, zodat het Bureau Medische Advisering (BMA) nader bevraagd kan worden naar aanleiding van de informatie omtrent de recente suïcidepoging van eiseres. De minister heeft verzocht om toewijzing van de voorlopige voorziening, bekend onder NL26.10025.

Op 13 mei 2026 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer NL26.10025 ingetrokken.

Op 20 mei 2026 heeft verzoekster wederom een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 20 mei 2026 heeft de minister verzocht om toewijzing van dit verzoek om voorlopige voorziening.

Op 21 mei 2026 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer NL26.28297, ingetrokken.

Op 26 mei 2026 heeft verzoekster opnieuw een (derde) verzoek om voorlopige voorziening ingediend, geregistreerd onder nummer NL26.29167, en op dezelfde dag weer ingetrokken.

Op 26 mei 2026 om 23:02 uur heeft verzoekster het vierde verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.

2. De rechtbank stelt vast dat er voor verzoekster een overdracht naar Polen gepland stond op 27 mei 2026 om 09:55 uur. Verzoekster heeft op 26 mei 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend teneinde de overdracht aan Polen te voorkomen. Uit informatie van het COa is gebleken dat verzoekster op 27 mei 2026 als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ is gemeld. De minister heeft daarop gemachtigde van eiser en de Poolse autoriteiten op 27 mei 2026 bericht dat de overdracht niet binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden als gevolg van de verdwijning van verzoekster en dat volgens artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn wordt verlengd tot achttien maanden Daarmee is de uiterlijke overdrachtstermijn gesteld op 27 mei 2027. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster gelet hierop niet langer een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand