RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28139
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van 11 februari 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats. Daarna is er een vervolgberoep ingediend. Uit de uitspraak hierop van 8 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 2 april 2026.
4. Eiser stelt dat de belangenafweging ertoe moet leiden dat de bewaring van eiser wordt opgeheven. Uit het vertrekgesprek van 11 mei 2026 volgt dat eiser volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Daarnaast zit eiser al vierenhalve maand in bewaring en is tot op heden nog geen datum van uitzetting bekend.
5. De rechtbank is van oordeel dat in wat eiser naar voren heeft gebracht geen feiten en omstandigheden zijn gelegen die maken dat verweerder op grond van de belangenafweging de bewaring van eiser had moeten opheffen. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder op 11 april 2026 een bericht heeft ontvangen dat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat verweerder op 16 mei 2026 een schriftelijke toezegging heeft ontvangen voor afgifte van een LP voor eiser. Uit het voortgangsrapport volgt verder dat de regievoerder een beoordeling zal maken conform procesprotocol C8, waarna de vlucht voor eiser aangevraagd kan worden. Het belang van verweerder om eiser op - naar verwachting - korte termijn uit te kunnen zetten naar Algerije is daarom groter dan het belang van eiser om in vrijheid gesteld te worden. Het enkele feit dat eiser tijdens zijn laatste vertrekgesprek heeft verklaard mee te willen werken aan terugkeer doet daaraan niet af. Temeer omdat eiser in de voorgaande vertrekgesprekken regelmatig heeft verklaard dat hij niet terug wil naar Algerije en dat hij zelf ook geen inspanningen heeft verricht om zijn terugkeer te realiseren.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.