RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.26584, NL26.26581, NL26.26590, NL26.26593, NL26.26594, NL26.26595 en NL26.26596
[naam] , V-nummer: [nummer] ,
[naam] , V-nummer: [nummer] ,
[naam] , V-nummer: [nummer] ,
[naam] , V-nummer: [nummer] ,
[naam] , V-nummer: [nummer] en
[naam] V-nummer: [nummer]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),
en
(gemachtigde: mr. J.W.S. Boorsma).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 8 mei 2026 heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 15 mei 2026 de maatregelen van bewaring opgeheven, omdat eisers op die datum zijn overgedragen aan Kroatië.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers heeft zich op 19 mei 2026 afgemeld voor deze zitting en heeft schriftelijk beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 25 mei 2026 aangegeven niet te zullen verschijnen op deze zitting en heeft schriftelijk op de beroepsgronden gereageerd.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
1. Eisers zijn een gezin van twee ouders ( [naam] ; geboren [geboortedag] 1989 en [naam] ; geboren [geboortedag] 1989) en vijf kinderen ( [naam] ; geboren [geboortedag] 2009, [naam] ; geboren [geboortedag] 2012, [naam] ; geboren [geboortedag] 2014, [naam] ; geboren [geboortedag] 2014 en [naam] ; geboren [geboortedag] 2015). Eisers hebben de Turkse nationaliteit.
2. Eisers hebben op 9 september 2025 asielaanvragen ingediend in Nederland. Nadat de minister in Eurodac had geconstateerd dat eisers op 4 september 2025 in Kroatië om internationale bescherming hebben verzocht heeft hij een claim gelegd bij de Kroatische autoriteiten, die op 17 november 2025 is geaccordeerd. Hierna heeft de minister met de besluiten van 19 februari 2026 de asielaanvragen niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening – verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Eisers hebben tegen deze besluiten beroepen ingesteld en in dat kader om voorlopige voorzieningen verzocht. De beroepen zijn met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 1 mei 2026 ongegrond verklaard (zaaknummers NL26.9448, NL26.9450 en NL26.9452).
3. Eisers verbleven in het kader van hun asielprocedure laatstelijk in de asielopvang in Katwijk. Op 8 mei 2026 heeft een geplande staandehouding plaatsgevonden in de woonruimte van het gezin in deze opvang. Hierna zijn eisers opgehouden, gehoord en vervolgens met de hier bestreden besluiten in bewaring gesteld op 8 mei 2026.
Beoordeling door de rechtbank
4. Omdat de bewaring met ingang van 15 mei 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Lichter middel / verzwaarde belangenafweging minderjarige kinderen
5. De rechtbank merkt allereerst op dat het hier gaat om de bewaring van een gezin met minderjarige kinderen. Op grond van artikel 28, vierde lid, van de Verordening EU 604/2013 (de Dublinverordening) in verbinding met artikel 11 van de Richtlijn 2013/33/EU (de Opvangrichtlijn) is de bewaring van minderjarigen een maatregel die pas in laatste instantie wordt genomen nadat is gebleken dat andere, minder dwingende maatregelen, niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Deze bewaring moet zo kort mogelijk zijn en alles moet in het werk worden gesteld om de bewaring op te heffen en de minderjarige te plaatsen in een voor minderjarigen geschikte accommodatie. Deze uitgangspunten zijn ook neergelegd in het beleid van de minister (paragraaf A5/2.4 van de Vc 2000). Daarin staat – verkort weergegeven – dat bewaring bij gezinnen met minderjarige kinderen alleen in uiterste gevallen wordt toegepast en voor een zo kort mogelijke duur. Dit brengt volgens dit beleid met zich mee dat een deugdelijke verzwaarde belangenafweging is vereist. Uit het dossier moet blijken dat de minister zich rekenschap heeft gegeven van de individuele omstandigheden van het geval door middel van een gedegen motivering. Hierbij worden in ieder geval de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en de samenstelling van het gezin meegewogen.
6. De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 2, aanhef en onder i, van de Dublinverordening en artikel 2, aanhef en onder d, van de Opvangrichtlijn volgt dat minderjarig is de onderdaan van een derde land of de staatloze die jonger is dan 18 jaar.
7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de bestreden besluitvorming in voldoende mate blijk geeft van een verzwaarde belangenafweging ten aanzien van alle betrokken minderjarige kinderen.
8. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De oudste dochter [naam] is geboren op [geboortedag] 2009. Daarmee is zij op dit moment 17 jaar oud en dus minderjarig. Gelet op het onder 5 weergegeven juridisch kader bij minderjarigen is in verband met haar inbewaringstelling een deugdelijke verzwaarde belangenafweging vereist. Uit de aan [naam] opgelegde maatregel van bewaring volgt echter niet dat zo’n verzwaarde belangenafweging in haar geval is uitgevoerd. In deze maatregel is immers enkel de (gebruikelijke) belangenafweging ten aanzien van het lichter middel opgenomen, maar niet een (verzwaarde) afweging van de specifieke belangen van [naam] als minderjarige, zoals in de maatregelen van de overige minderjarige kinderen wél is gebeurd.
9. Het onder 8 genoemde motiveringsgebrek maakt de maatregel van bewaring van [naam] onrechtmatig. Deze onrechtmatigheid werkt door in de maatregelen van de overige gezinsleden. Dit omdat in deze maatregelen wordt aangenomen dat het gezin als geheel rechtmatig in bewaring wordt gesteld, hetgeen gelet op het voorgaande niet het geval is geweest. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2101.
10. Omdat de bewaringsmaatregelen reeds om de voornoemde reden vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig zijn, bestaat geen aanleiding voor een beoordeling van de beroepsgronden van eisers.
11. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) x 7 personen = € 6.720,00.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang van de zaken blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 van het Bpb).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 6.720,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 mei 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.