ECLI:NL:RBDHA:2026:1405

ECLI:NL:RBDHA:2026:1405

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer AWB 24/21375
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep ongegrond. Afwijzing verlenging van de geldigheidsduur van verblijfsvergunning. Verweerder heeft mogen concluderen dat de enkele stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, niet kan worden gevolgd. Voor zover eiser met het beroep heeft beoogd om het ontstane verblijfsgat te bestrijden, overweegt de rechtbank dat dit in de huidige procedure niet ter beoordeling voor ligt.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning.

Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 9 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en S. Chowdhury als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Bengalese nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning in Nederland voor het doel ‘Arbeid in loondienst’ tot 1 juli 2024. Eiser heeft in juni 2024 een aanvraag ingediend om de vergunning voor zijn verblijf te verlengen.

Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat uit het advies van het UWV blijkt dat vier afwijzingsgronden uit de Wet arbeid vreemdelingen van toepassing zijn en daardoor niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven, omdat eiser zijn stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd -nadat verweerder de mogelijkheid had geboden om nadere gronden in te dienen- niet heeft onderbouwd.

Eiser heeft op 13 januari 2025 opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Per brief van 26 maart 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld van plan te zijn om de verblijfvergunning te verlenen per 8 april 2025. Hierdoor is er een verblijfsgat ontstaan van 1 juli 2024 tot 8 april 2025.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Het ontstane verblijfsgat van 1 juli 2024 tot 8 april 2025 is niet rechtmatig en het primaire besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit heeft mogen concluderen dat de enkele stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, niet kan worden gevolgd. Verweerder heeft daartoe mogen betrekken dat in het primaire besluit gemotiveerd is aangegeven waarom de aanvraag is afgewezen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder aan eiser het dossier heeft doorgestuurd en een termijn heeft geboden van twee weken voor het indienen van nadere gronden. Eiser heeft geen nadere gronden ingediend.

6. Voor zover eiser met het beroep heeft beoogd om het ontstane verblijfsgat te bestrijden, overweegt de rechtbank dat dit in de huidige procedure niet ter beoordeling voor ligt. De ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning van 8 april 2025 -en het daaruit ontstane verblijfsgat- hangt immers samen met de aanvraag van 13 januari 2025.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M.A. Vinken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?