RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam], verzoekster,
[naam], verzoekster II,
[naam],
[naam],
[naam]
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57724 en NL25.57726
geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
en
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],
mede namens de minderjarige kinderen van verzoekster:
geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [v-nummer:],
allen van Turkse nationaliteit,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Procesverloop
1. Bij besluiten van 21 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister de
asielaanvragen van verzoeksters niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2. Verzoeksters hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld en
de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL25.57723 en NL25.57725.
3. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, gelijktijdig met de beroepen, op
14 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. F.S. Fahad, waarnemer voor mr. S. Thelosen, de gemachtigde van verzoeksters.
Overwegingen
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, kan
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
5. De asielaanvragen van verzoeksters zijn niet in behandeling genomen op grond van
artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen in een geval als dit de aanvrager dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. In de zaken van verzoeksters is deze uiterste overdrachtsdatum 29 maart 2026.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de beroepen van verzoeksters mogelijk niet
kunnen worden afgehandeld binnen deze overdrachtstermijn, omdat bij uitspraak van heden is beslist tot schorsing van de behandeling van die beroepen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door Bureau Documenten naar de door verzoeksters tijdens de behandeling getoonde en door hen in te brengen documenten, waaronder het familieboekje en de huwelijksakte.
7. De minister heeft ter zitting te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen
toewijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening.
8. De voorzieningenrechter zal de bestreden besluiten schorsen en bepalen dat
verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Kroatië totdat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeksters gemaakte
proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934.- en een wegingsfactor 1 in samenhangende zaken).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: