ECLI:NL:RBDHA:2026:1411

ECLI:NL:RBDHA:2026:1411

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL25.51135
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin Letland. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indirect refoulement. Artikel 17 Dublinverordening.

Uitspraak

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]

van Soedanese nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R. R. de Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om terugname gedaan. Letland heeft dit verzoek op 9 september 2025, op grond van artikel 18, eerste lid onder c van de Dublinverordening, aanvaard.

Herhaling van wat eerder naar voren is gebracht

5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser dat hetgeen namens hem eerder in de procedure naar voren is gebracht in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. De minister is in het voornemen gemotiveerd ingegaan op de verklaringen van eiser en heeft hetzelfde gedaan met de zienswijze in het bestreden besluit. Voor zover eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is, zal de rechtbank zich hierna uitsluitend richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser betoogt dat de minister in zijn individuele geval ten aanzien van Letland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is hij als asielzoeker volledig afhankelijk van overheidssteun en loopt hij, buiten zijn wil en eigen keuzes om, bij overdracht aan Letland het risico op zeer verregaande materiële deprivatie. Eiser stelt dat hij eerder in Letland is gedetineerd geweest, niet de noodzakelijke medische zorg heeft ontvangen en door de autoriteiten adequate rechtsbijstand is onthouden. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een publicatie van Global Detention Project over de detentie van asielzoekers, die volgens hem aansluit bij de omstandigheden en ervaringen die hij in Letland heeft gehad. Daarnaast verwijst eiser naar een publicatie van Amnesty International, getiteld “Amnesty International Report 2021/22: The State of the World’s Human Rights”, waarin pushbacks door Letse grenswachten richting Wit-Rusland worden beschreven. Tot slot verwijst eiser naar een publicatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over grensincidenten waarbij pushbacks in Letland aan de orde zijn. Eiser stelt dat deze publicatie bevestigt dat de bevindingen uit het Amnesty-rapport uit 2022 nog steeds actueel zijn.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in algemene zin ten aanzien van Letland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Wel staat ter discussie of daarvan in het specifieke geval van eiser kan worden uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd over zijn persoonlijke ervaringen in Letland niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Letland, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Letse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft de gestelde individuele omstandigheden niet met objectieve gegevens onderbouwd. De verwijzing van eiser naar het AIDA-rapport en de overige door hem overgelegde bronnen, waarvan hij meent dat deze zijn persoonlijke ervaringen in Letland bevestigen, doet aan dit oordeel niet af. Uit deze bronnen kan immers niet worden afgeleid dat de mogelijke pushbacks aan de grens met Letland ertoe leiden dat Dublinclaimanten die gereguleerd worden overgedragen, in het algemeen, of eiser in het bijzonder, een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Bovendien hebben de Letse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Indien eiser na overdracht aan Letland tekortkomingen constateert in de opvang of in de asielprocedure, kan hij hierover klagen bij de Letse autoriteiten en, indien nodig, bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Eiser heeft, ook desgevraagd ter zitting, niet aannemelijk gemaakt dat voor hem die mogelijkheid niet bestaat of dat deze bij voorbaat zinloos zou zijn.

Indirect refoulement

7. Eiser voert aan dat hij bij overdracht aan Letland vreest voor indirect refoulement, in die zin dat hij door de Letse autoriteiten zal worden teruggestuurd naar Soedan.

Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 6.2) is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in Letland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat.

Artikel 17 Dublinverordening

8. Eiser stelt dat, gelet op alle omstandigheden die hij heeft aangevoerd over de situatie in Letland en wat hij tijdens zijn eerdere verblijf daar heeft meegemaakt, het in de rede ligt dat zijn asielaanvraag door Nederland in behandeling wordt genomen, en hij doet daarbij een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.

De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De door eiser aangehaalde bronnen en de gestelde eerdere ervaringen in Letland zijn door de minister voldoende betrokken bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft in het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert, geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Letland af te zien. Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Letland rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Letland getuigt van onevenredige hardheid.

Conclusie en gevolgen

9. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Letland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Sijens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?