Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-252621-25, 09-238506-25, 09-090433-26, 09-150653-25, 09-231499-25, 09-297814-25 en 09-232753-25 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 22 januari 2026 (pro forma) en 7 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. S. van Dongen en de raadsman van de verdachte is mr. M.G. Cantarella te Den Haag. De verdachte is op de terechtzittingen verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
dagvaarding I - 09-252621-25
medeplegen van diefstal met geweld, gepleegd op 24 september 2025 te ’s-Gravenhage tegen [benadeelde 1] ;
dagvaarding II - 09-238506-25
feit 1 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen, gepleegd op 10 februari 2025 te
’s-Gravenhage tegen [benadeelde 2] , subsidiair: medeplegen mishandeling;
feit 2: wapenbezit, gepleegd op 10 februari 2025 te ’s-Gravenhage;
dagvaarding III - 09-090433-26
mishandeling, gepleegd op 12 maart 2026 te ’s-Gravenhage tegen [benadeelde 2] ;
dagvaarding VI - 09-150653-25
diefstal in vereniging, gepleegd op 15 februari 2025 te ’s-Gravenhage;
dagvaarding V - 09-231499-25
diefstal van een bromfiets door middel van braak/verbreking, gepleegd op 23 juli 2025 te
’s-Gravenhage;
dagvaarding VI - 09-297814-25
diefstal van een scooter door middel van braak/verbreking, gepleegd op 26 augustus 2025 te Rijswijk;
dagvaarding VII - 09-232753-25
primair: diefstal in vereniging van een scooter door middel van braak/verbreking, gepleegd op 4 september 2025 te ’s-Gravenhage, subsidiair: medeplegen opzet- dan wel schuldheling, gepleegd op 4 september 2025 te ’s-Gravenhage.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van dagvaarding II feit 1 primair, het openlijk geweld in vereniging, en ten aanzien van dagvaarding VII het subsidiaire feit, de opzetheling, bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bij dagvaarding I ten laste gelegde. Met betrekking tot dagvaarding II-VII heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Dagvaarding II - 09-238506-25 – voorhanden hebben wapen (feit 2)
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij een stroomstootwapen dan wel taser voorhanden heeft gehad op het moment van het incident, waarbij [benadeelde 2] met dit wapen zou zijn geraakt. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt onvoldoende met wat voor wapen de aangever precies is geraakt. Het voorgaande maakt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het voorwerp dat de verdachte tegen [benadeelde 2] heeft gebruikt een wapen als bedoeld in de WWM betreft.
Dagvaarding III - 09-090433-26 – mishandeling
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de mishandeling van [benadeelde 2] op 12 maart 2026 niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De aangever vermeldt in zijn aangifte van 12 maart 2026 dat hij na de mishandeling pijn aan zijn been, voet en de bovenzijde van zijn hoofd voelde. Een aantal dagen later, op 22 maart 2026, heeft de politie contact met de moeder van de aangever en zij meldt dan dat haar zoon zichtbaar letsel had op zijn neus na de mishandeling. Deze verklaringen komen niet met elkaar overeen en maken dat de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen welk letsel is ontstaan door de mishandeling. Daar komt bij dat de herkenningen door de verbalisanten niet gespecificeerd genoeg zijn. Juist het kenmerkende haar van de verdachte (een grote bos krullen) is namelijk op de beelden niet te zien vanwege een capuchon. Bovendien bevinden zich geen beelden van de mishandeling zelf in het dossier, alleen van eerdere momenten in een filiaal van Albert Heijn. Al het voorgaande maakt dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de mishandeling.
Dagvaarding VII - 09-232753-25 – diefstal (primair feit)
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de scooter samen met de medeverdachte heeft gestolen, nu het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat. De verdachte wordt dus van het primair ten laste gelegde feit vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
Ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten overweegt de rechtbank als volgt.
Dagvaarding I - 09-252621-25 – medeplegen diefstal met geweld
De rechtbank komt op basis van de aangifte van [benadeelde 1] en de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot een bewezenverklaring van het feit. De beide medeverdachten verklaren immers dat de verdachte samen met een ander geweld tegen de aangever heeft gebruikt, waardoor de aangever van zijn telefoon beroofd kon worden.
Dagvaarding II - 09-238506-25 – openlijk geweld (feit 1 primair)
De rechtbank komt op basis van de aangifte van [benadeelde 2] , de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] en de getuigenverklaring van [getuige] tot een bewezenverklaring van het openlijk geweld. De verdachte heeft samen met de medeverdachte openlijk geweld gepleegd door op een schoolplein een taser tegen het lichaam van de aangever aan te drukken. Hoewel de exacte aard van het gebruikte voorwerp niet kan worden vastgesteld, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast op grond van de verklaringen dat dit een taser, als bedoeld in het algemeen spraakgebruik, is geweest.
Dagvaarding IV - 09-150653-25 – diefstal in vereniging
De rechtbank komt op basis van de aangifte van [benadeelde 3] en de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van herkenning tot een bewezenverklaring van diefstal in vereniging. De raadsman heeft betoogd dat de herkenningen onvoldoende specifiek zijn en daarmee niet voldoen aan de eisen gesteld in de jurisprudentie. De rechtbank is echter van oordeel dat de processen-verbaal wél specifieke kenmerken over de verdachte bevatten, namelijk het krullende haar en de zwarte bril. Daar komt bij dat twee van die processen-verbaal zijn opgemaakt door de wijkagent en de jeugdagent die beiden regelmatig contact hebben met de verdachte. De rechtbank gaat dus voorbij aan het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Dagvaarding V - 09-231499-25 – diefstal door middel van braak
De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van diefstal door middel van braak van de bromfiets van [benadeelde 4] . Zij komt hiertoe op basis van de aangifte van [benadeelde 4] , de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4] en de processen-verbaal van bevindingen. Uit die laatste blijkt dat tijdens het vervoer van de verdachte naar het politiebureau in de politieauto iets op de achterbank valt. Dit blijkt een cilinderslot te zijn dat precies op de gestolen scooter past en hoort bij de sleutel die door aangever naar het politiebureau wordt gebracht. De verdachte heeft voor dit feit zowel bij de politie als ter terechtzitting geen aannemelijke verklaring gegeven. Gezien de overige bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring.
Dagvaarding VI - 09-297814-25 – diefstal door middel van braak
De rechtbank komt op basis van de aangifte van [aangever] , namens [benadeelde 5] , en het proces-verbaal van bevindingen tot een bewezenverklaring van diefstal van een scooter. De verdachte heeft bij zijn aanhouding een cilinderslot bij zich, dat past op de gestolen scooter van [benadeelde 5] en heeft aldus het sterke vermoeden op zich geladen dat hij bij deze diefstal betrokken is. Voor dit feit heeft de verdachte geen aannemelijke, dit vermoeden ontzenuwende, verklaring gegeven. Gezien de overige bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring.
Dagvaarding VII - 09-232753-25 – medeplegen opzetheling (subsidiaire feit)
De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, nu blijkt dat zij enige tijd handelingen hebben verricht aan de scooter. De rechtbank is van oordeel dat de verdachten ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter wisten dat het een door misdrijf verkregen scooter betrof, nu het contactslot ontbrak (en in de buddyseat lag), de afdekplaat tussen het zadel en de voetplaat was weg en de bij de verdachten aangetroffen schroefjes pasten op de plekken waar schroefjes bij de scooter ontbraken. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de aangifte van [benadeelde 6] , de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 5] en de processen-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de verdachten bij hun aanhouding een inbussleutel en schroefjes, die op de scooter passen, bij zich hadden.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I, II (feit 1 primair), IV, V, VI en VII (subsidiair) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I - 09-252621-25
hij op 24 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een Iphone 13 die aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- die [benadeelde 1] te duwen en op de grond te gooien en- die [benadeelde 1] te slaan tegen het lichaam en- die [benadeelde 1] meermalen te schoppen tegen het lichaam.
Dagvaarding II - 09-238506-25
hij op 10 februari 2025 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, bij het fietsenrek van het [school]
aan de [straatnaam] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
persoon, te weten [benadeelde 2] , door
- een taser tegen het lichaam van die [benadeelde 2] aan te houden en die taser aan te zetten.
Dagvaarding IV - 09-150653-25
hij op 15 februari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een boordcomputer/startknop, die aan [benadeelde 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.
Dagvaarding V - 09-231499-25
hij op 23 juli 2025 te 's-Gravenhage een bromfiets (kenteken [kenteken] ) die aan [benadeelde 4] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen bromfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Dagvaarding VI - 09-297814-25
hij op 26 augustus 2025 te Rijswijk een scooter die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen scooter onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Dagvaarding VII - 09-232753-25 hij op 4 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een scooter voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die scooter wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), en dat daaraan wordt toegevoegd als bijzondere voorwaarde dat de verdachte ook zal meewerken aan diagnostiek bij de Waag of een soortgelijke instelling. Daarnaast vordert de officier van justitie een contactverbod als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor de duur van twee jaar, waarbij de verdachte voor iedere overtreding van dit verbod een week hechtenis krijgt met een maximum van zes maanden. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd om de bijzondere voorwaarden en het contactverbod dadelijk uitvoer te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – bij veroordeling – het advies van de Raad, namelijk een deels voorwaardelijke jeugddetentie, een passend advies is. De verdachte is bereid mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast kan eventueel een werkstraf worden opgelegd. Verder heeft de raadsman benadrukt dat rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Hij heeft namelijk geen strafblad en is nog erg jong.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als vijftienjarige schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsfeiten, namelijk een diefstal met geweld in vereniging en openlijk geweld. Hij heeft samen met anderen een telefoon van een willekeurig slachtoffer, dat aan het spelen was in een voetbalkooi, gestolen, terwijl het slachtoffer op de grond lag en werd geschopt en geslagen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen nog lange tijd de nadelige psychische en fysieke gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Verder heeft de verdachte samen met een ander op een schoolplein openlijk geweld gepleegd door het slachtoffer, dat zij kenden, te taseren. De verdachte heeft hiermee pijn en angst bij het slachtoffer veroorzaakt. Dergelijke geweldsfeiten schokken de rechtsorde en vergroten de gevoelens van onveiligheid, in het bijzonder bij de andere jongeren die in de voetbalkooi aan het spelen waren tijdens de diefstal met geweld en de leerlingen en docenten van de school waar het openlijk geweld zich afspeelde. Een school is bij uitstek een plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen (van een boordcomputer/startknop, een scooter en een bromfiets) en aan opzetheling. De verdachte heeft niet alleen financiële schade, maar ook veel overlast bij de benadeelden veroorzaakt, kennelijk omdat hij eigen (financieel) belang voorop stelt bij zijn gedrag. Deze feiten getuigen van weinig respect voor andermans eigendom.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 april 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar wel verschillende verkeersboetes opgelegd heeft gekregen. De rechtbank weegt dit niet mee in het nadeel van de verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 29 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er veel risicofactoren zijn, die de kans op recidive verhogen. De verdachte geeft geen openheid van zaken en lijkt strafbare feiten te hebben gepleegd uit financieel gewin. Hij heeft geen structurele dagbesteding en er zijn grote zorgen over zijn sociale netwerk. Positief is dat hij door zijn ouders gesteund wordt. De Raad vindt het van groot belang dat de verdachte gaat leren om andere keuzes te maken en nadenkt over zijn sociale netwerk. Zelf heeft de verdachte nu aangegeven ook te willen veranderen en de kans te willen grijpen iets van zijn leven te maken. Daarvoor is het volgens de Raad wel van belang dat de jeugdreclassering betrokken blijft en er verschillende bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het meewerken aan behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, het meewerken met een coach vanuit E25 of een soortgelijke instelling en het vinden en behouden van passende dagbesteding. Een werk- of leerstraf wordt op dit moment niet afdoende geacht, omdat de verdachte nu moeten laten zien dat hij echt wil veranderen.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Gelet op de ernst en veelvoud van de strafbare feiten, die de verdachte in relatief korte tijd heeft gepleegd, waaronder twee nare geweldsfeiten en het feit dat de verdachte hiervoor weinig tot geen verantwoordelijkheid heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal de door de Raad geadviseerde voorwaarden overnemen en daaraan toevoegen dat de verdachte ook mee moet werken aan diagnostiek bij de Waag of soortgelijke instelling.
Deze voorwaardelijke straf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr (een contactverbod) op te leggen ten aanzien van [benadeelde 2] . De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte de aangever met rust laat, mede gelet op de reeds langlopende ruzie. De rechtbank legt deze maatregel op voor de duur van twee jaar en bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie een week bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding een contactverbod op te leggen met [benadeelde 1] , omdat dit een willekeurig slachtoffer is geweest en niet is gebleken dat de verdachte en het slachtoffer elkaar na het incident nog zijn tegengekomen.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten diefstal met geweld en het openlijk in vereniging geweld plegen. Gelet op de ernst van de feiten en het rapport van de Raad, waaruit naar voren komt dat er veel risicofactoren zijn en het recidivegevaar hoog is, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ook zal de rechtbank de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich in de toekomst wederom belastend zal gedragen jegens [benadeelde 2] .
7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Dagvaarding II - 09-238506-25
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is een hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Dagvaarding III - 09-090433-26
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Dagvaarding IV - 09-150653-25
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 90,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is een hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Dagvaarding V - 09-231499-25
[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 1932,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Dagvaarding VII - 09-232753-25
[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 1.318,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is een hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien dagvaarding II en IV op het standpunt gesteld dat deze vorderingen geheel en hoofdelijk moeten worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding III en V op het standpunt gesteld dat de vorderingen geheel moeten worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding VII op het standpunt gesteld dat deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij van mening is dat slechts opzetheling bewezen kan worden en er daardoor geen causaal verband met de ontstane schade kan worden vastgesteld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen, gelet op de verzochte vrijspraak. Indien de rechtbank overgaat tot veroordeling heeft de raadsman enkele opmerkingen geplaatst bij de verschillende vorderingen.
Dagvaarding II - 09-238506-25
De raadsman heeft verzocht het bedrag te matigen, omdat uit een juiste toepassing van de Rotterdamse schaal moet volgen dat niet kan worden toegekomen aan toekenning van de helft van het maximale bedrag van € 1.100,- bij ‘licht letsel’ met een herstel binnen twee maanden.
Dagvaarding III - 09-090433-26
De raadsman heeft verzocht het bedrag te matigen, omdat uit een juiste toepassing van de Rotterdamse schaal moet volgen dat niet kan worden toegekomen aan toekenning van het maximale bedrag van € 1.100,- bij ‘licht letsel’ met een herstel binnen twee maanden.
Dagvaarding IV - 09-150653-25
De bijlage bij de vordering is volgens de raadsman niet duidelijk genoeg, nu op deze bon geen naam van het bedrijf staat en niet duidelijk is of het bedrag ook betaald is. Dit maakt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Dagvaarding V - 09-231499-25
De vordering is slechts onderbouwd met een offerte waar geen kenteken van de brommer op staat. De vordering is dus niet voldoende onderbouwd. Daar komt bij dat de offerte bestaat uit veel meer kosten dan wat nodig lijkt als gevolg van de diefstal. De raadsman verzoekt de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de hoogte van de gevorderde schade te matigen.
Dagvaarding VII - 09-232753-25
Indien de verdachte wordt veroordeeld voor heling kan de schade niet op de verdachte worden verhaald. Indien een diefstal bewezen wordt verklaard, dan is de pro formafactuur niet voldoende gespecificeerd en zijn meer kosten gevorderd dan ontstaan door de diefstal.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding II - 09-238506-25
Immateriële schade
Deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar nu op grond van het
dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij
rechtstreeks immateriële schade heeft geleden waarvoor de verdachte verantwoordelijk is.
De verdachte heeft immers meegedaan met het geweld tegen [benadeelde 2] . De benadeelde partij heeft in de vordering toegelicht wat de gevolgen van dit incident voor hem zijn geweest, namelijk pijn, angst en letsel. De rechtbank vindt de hoogte van het gevorderde bedrag passend bij de veroorzaakte schade. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 februari
2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met de mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Dagvaarding III - 09-090433-26
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dagvaarding IV - 09-150653-25
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, nu zijn boordcomputer/startknop is weggenomen door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor deze mate van schade (een bedrag van € 90,-) voldoende is onderbouwd met de overgelegde bon. Of die bon betaald is, is niet relevant: het gaat om een schadebedrag dat gekoppeld wordt aan een – overduidelijk door de verdachte – weggenomen voorwerp, dat vervangen zal moeten worden. De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering geheel toewijzen tot een bedrag van € 90,-.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 15 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met de mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 90,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 3] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Dagvaarding V - 09-231499-25
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De schade is onder andere ontstaan, doordat de verdachten zonder helm rijden, vervolgens een stopteken van de politie negeren en door dan plotseling te remmen door de politieauto worden aangetikt en ten val komen. Als gevolg daarvan is de scooter beschadigd geraakt. De aangever heeft dit meteen gemeld bij de politie. De verdachten waren vanaf het moment van de diefstal verantwoordelijk voor de scooter en daarom is er sprake van een causaal verband tussen de strafbare gedraging van de verdachten en de ontstane schade. Voor de onderbouwing van de hoogte van de schade heeft de benadeelde partij een offerte overgelegd. Ook hier geldt dat niet relevant is of de benadeelde partij deze kosten heeft betaald, het gaat om een onderbouwde schatting van de door de verdachte veroorzaakte schade. De rechtbank gaat er verder aan voorbij dat de gegevens van de benadeelde partij met de hand en mogelijk zelfs door de benadeelde partij zelf zijn opgeschreven. De offerte is van een bedrijf en door de benadeelde partij overgelegd en dat is genoeg.
De rechtbank is het echter met de raadsman eens dat niet nader is gespecificeerd waarom bepaalde schadeposten zijn opgevoerd, terwijl uit het dossier niet meer kan worden afgeleid dan dat er – in zijn algemeenheid – schade is veroorzaakt. Omdat er volgens de rechtbank wel sprake is van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en deze schade, zal de rechtbank naar billijkheid en gebruik makend van haar schattingsbevoegdheid, de schade bepalen op een bedrag van € 750,- en voor het overige de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 750,-.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden
toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk
aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de
verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 4] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Dagvaarding VII - 09-232753-25
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het primaire feit, de diefstal, zal worden vrijgesproken. Een verband tussen de schade van de benadeelde partij en de door de verdachte gepleegde opzetheling kan niet worden vastgesteld, zodat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geleden schade. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8. De in beslag genomen voorwerpen
Dagvaarding I - 09-252621-25
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat zij al op 30 december 2025 een beslissing heeft genomen over de twee telefoons met goednummer: 3392180 (roze Apple IPhone) en 3392177 (rode Apple IPhone), namelijk dat deze telefoons terug mogen naar de verdachte als deze van zijn zus blijken te zijn. De afhandeling hiervan ligt nu bij de politie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht een beslissing te nemen over de telefoons, omdat de telefoons nog steeds niet terug zijn en de rechtbank hier een finaal oordeel over kan geven.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten een roze Apple IPhone (goednummer: 3392180) en een rode Apple IPhone (goednummer: 3392177).
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 38v, 47, 77a, 77g, 77i, 77we, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding II feit 2 (parketnummer 09-238506-25), III (parketnummer 09-090433-26) en VII primair (parketnummer 09-232753-25) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder dagvaarding I, II primair, IV, V, VI en VII subsidiair laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van dagvaarding I - 09-252621-25
diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van dagvaarding II - 09-238506-25
feit 1: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van dagvaarding IV - 09-150653-25
diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van dagvaarding V - 09-231499-25
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van dagvaarding VI - 09-297814-25
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van dagvaarding VII - 09-232753-25 subsidiair:
medeplegen opzetheling;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf en maatregel
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 75 (vijfenzeventig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf, zijnde 45 (vijfenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd zal meewerken aan behandeling en diagnostiek van de Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. meewerkt aan de inzet van een coach vanuit E25 of een soortgelijke instantie;
4. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van twee jaar, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:
- zich te onthouden van direct of indirect contact met [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2011), na het onherroepelijk worden van dit vonnis;
met bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van een week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de schadevergoedingsmaatregel (dagvaarding II -09-238506-25)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 10 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 2] ;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (dagvaarding III -09-090433-26)
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 90,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 15 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 90,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 750,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 23 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de inbeslaggenomen goederen
gelast de teruggave aan de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Koole, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Dagvaarding I - 09-252621-25
hij op of omstreeks 24 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Iphone 13, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- die [benadeelde 1] te duwen en/of op de grond te gooien en/of- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal te slaan tegen het lichaam en/of- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal te schoppen/trappen tegen het lichaam.
Dagvaarding II - 09-238506-25
1hij op of omstreeks 10 februari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, in/bij het fietsenrek van het [school] aan de [straatnaam] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 2] , door- een taser tegen het lichaam van die [benadeelde 2] aan te houden en/of te drukken en/of die taser aan te zetten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 10 februari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde 2] heeft mishandeld door een taser tegen het lichaam van die [benadeelde 2] aan te houden en/of te drukken en/of die taser aan te zetten;
2hij op of omstreeks 10 februari 2025 te ’s-Gravenhage, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht te weten een taser en/of stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.
Dagvaarding III - 09-090433-26
hij op of omstreeks 12 maart 2026 te 's-Gravenhage [benadeelde 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde 2] te trappen en/of schoppen tegen het been en/of hoofd, althans tegen het lichaam.
Dagvaarding VI - 09-150653-25
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een boordcomputer en/of een startknop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Dagvaarding V - 09-231499-25
hij op of omstreeks 23 juli 2025 te 's-Gravenhage een bromfiets (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen bromfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking.
Dagvaarding VI - 09-297814-25
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Rijswijk, een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Dagvaarding VII - 09-232753-25
hij op of omstreeks 4 september 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 4 september 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.