Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-027842-26 en 08-342816-25 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[de verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 7 mei 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Neelis en de raadsman van de verdachte is mr. D.G. Hassink, advocaat in Zwolle. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2. De tenlasteleggingen
De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitvoer van 1023 gram MDMA/XTC. Daarnaast wordt de verdachte verdacht van bezit van 40 gram XTC/MDMA, 12 gram metamfetamine en 59 gram 2-MMC (dagvaarding I). Ook wordt de verdachte ervan verdacht een bromfiets te hebben gestolen en vernield, dan wel van een poging om die bromfiets te stelen. Ook zou hij zich hebben verzet tegen zijn aanhouding voor dat feit (dagvaarding II).
Dagvaarding I - 09-027842-26
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 22 september 2025 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten hetgrondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1023,12 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA/XTC, zijnde MDMA/XTC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij op of omstreeks 27 januari 2026 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeftgehad ongeveer 40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende XTC/MDMA en/of ongeveer 12 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde MDMA en/of metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3hij op of omstreeks 27 januari 2026 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 59 gram 2-MMC aanwezig heeft gehad.
Dagvaarding II - 08-342816-25
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 mei 2026 – ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Zwolle een bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, immers heeft hij, verdachte- de bromfiets weggenomen naar een andere plek en/of- gepoogd het slot door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Zwolle, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [brigadier] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door één of meerdere malen met zijn armen te zwaaien en/of daarbij die [brigadier] in het gezicht te raken en/of te slaan;
3hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een bromfiets en/of een slot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder feit 2 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het in vereniging aanwezig hebben van 40 gram XTC/MDMA, omdat de verdachte niet wist dat dit middel in zijn kamer lag. Ook is de raadsman van mening dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder dagvaarding II onder feit 1 ten laste gelegde voltooide diefstal, omdat de verdachte niet als heer en meester over de bromfiets heeft kunnen beschikken. Op specifieke (bewijs)verweren wordt – voor zover relevant – nader ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I (09-027842-26) – partiële vrijspraak feit 2 – het in vereniging aanwezig hebben van 40 gram XTC/MDMA
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in vereniging aanwezig hebben van – kort gezegd - 40 gram XTC. Uit het dossier kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte die 40 gram XTC aanwezig heeft gehad. De verdachte woonde ten tijde van dit feit in een kamer van een instelling. De verdovende middelen lagen verstopt in een sok in een ladekast in de kamer van de verdachte. De verdachte heeft echter ontkend dat dit zijn kleding was. Op het moment van de doorzoeking verbleef er ook een andere jongere in de kamer van de verdachte. Van andere verdovende middelen (in een zak op het aanrecht) heeft de verdachte meteen erkend dat die van hem waren Voorgaande maakt dat er twijfel bestaat van wie de verdovende middelen in de ladekast waren en of de verdachte wetenschap van de aanwezigheid daarvan had. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Gebruikte bewijsmiddelen – dagvaarding I feit 1 tot en met 3 (09-027842-26)
De rechtbank zal voor de feiten 1 tot en met 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer LXFBC25025 / 26DONSA, van de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (Domein Nationale Infra), met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 140). De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van alle feiten:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 mei 2026;
Ten aanzien van feit 1 ook:
2. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht, opgemaakt op 26 september 2025 (p. 12-14);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 september 2025 (p. 15-21);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 oktober 2025 (p. 31-32);
5. Een geschrift, te weten het rapport van het Douane Laboratorium van 11 november 2025 met kenmerk P.025.5.0045 (p. 33-34);
Ten aanzien van feit 2 en feit 3 ook:
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 januari 2026 (p. 37-39);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 januari 2026 (p. 40-43);
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 maart 2026 (p. 107-108);
9. Een geschrift, te weten het rapport van het Douane Laboratorium van 23 februari 20026 met kenmerk P.025.6.0053 (p. 103-106).
Bewijsoverwegingen – dagvaarding II (08-342816-25)
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht.
Feit 1 en feit 3
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het de verdachte is geweest die de bromfiets heeft gestolen en het slot van die bromfiets heeft vernield. Uit de beelden, het proces-verbaal van bevindingen en de getuigenverklaring blijkt dat de verdachte de beige bromfiets een stuk heeft versleept en vervolgens op een andere plek dan waar hij de bromfiets had weggenomen met een slijptol, die bij de aanhouding van de verdachte bij zijn fatbike is aangetroffen, heeft geprobeerd het slot door te slijpen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat op dat moment al sprake was van een voltooide diefstal, omdat de verdachte toen al als heer en meester over de bromfiets heeft kunnen beschikken. De verdachte was namelijk bezig om het slot open te slijpen. Voor het als heer en meester over een bromfiets beschikken is niet vereist dat je daarop ook daadwerkelijk al kunt rijden.
Doordat de verdachte heeft geprobeerd het slot van de bromfiets door te slijpen, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan vernieling van het slot van de bromfiets. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen en de foto’s van de beschadigingen aan het slot.
Voorgaande maakt dat feit 1 primair en feit 3 wettig en overtuigend bewezen zijn.
Feit 2
De rechtbank is op basis van de inhoud van het dossier ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid. Uit de aangifte van [brigadier] en het proces-verbaal van bevindingen, dat op ambtseed is opgemaakt, blijkt dat de verbalisant de verdachte heeft willen aanhouden en hem heeft gemaand om stil te blijven staan. Vervolgens heeft hij twee maal zijn taser gebruikt, na waarschuwing. Vervolgens is de verdachte als gevolg van het taseren gevallen, waarna hij is vastgepakt en aangehouden door de verbalisant. De verdachte heeft daarop geprobeerd om weg te komen, waardoor er een worsteling is ontstaan. De verdachte heeft dat ook erkend. Daardoor heeft de verdachte zich verzet tegen de aanhouding, en naar het oordeel van de rechtbank kan ook bewezen worden dat de verdachte daarbij met zijn armen heeft gezwaaid en de verbalisant in het gezicht heeft geraakt. Dit volgt immers uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en wordt ondersteund door een foto in het dossier, waarop te zien is dat de verbalisant een rode plek op zijn wang heeft.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I - 09-027842-26
1hij op 22 september 2025 te Zwolletezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1023,12 gram van een materiaal bevattende MDMA/XTC, zijnde MDMA/XTC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2hij op 27 januari 2026 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12 gram van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3hij op 27 januari 2026 te Zwolle opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA of een preparaat daarvan, te weten 59 gram 2-MMC, aanwezig heeft gehad.
Dagvaarding II - 08-342816-25
1hij op 24 juni 2025 te Zwolle een bromfietsdie aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op 24 juni 2025 te Zwolle zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [brigadier] (brigadier bij de Eenheid Oost-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door één of meerdere malen met zijn armen te zwaaien en daarbij die [brigadier] in het gezicht te raken;
3hij op 24 juni 2025 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een slot dat aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft beschadigd.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 10 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden. De officier van justitie ziet ook nog het belang van elektronisch toezicht op de verdachte (een enkelband), met dien verstande dat die bijzondere voorwaarde geldt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet in het belang van de verdachte is als hij terug moet naar de jeugdgevangenis, omdat hij sinds kort bij PerspektieV verblijft en het daar goed gaat. Door een eventuele detentie verliest hij die woonplek. De raadsman is van mening dat kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf en eventueel een voorwaardelijke jeugddetentie. Ook ziet de raadsman geen verdere noodzaak voor een enkelband, omdat de verdachte zeer intensieve, 24-uursbegeleiding heeft bij PerspektieV.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten De verdachte heeft zich (als meerderjarige) schuldig gemaakt aan het medeplegen van het uitvoeren van harddrugs. Hij heeft samen met een ander een postpakket met ruim een kilo XTC ter verzending naar Engeland aangeboden. Verder is de verdachte schuldig aan het bezit van metamfetamine en 2-MMC. De verspreiding van en handel in, maar ook het enkele bezit van harddrugs, die schadelijk en verslavend zijn, gaat gepaard met vele andere vormen van (soms zware en ondermijnende) criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het faciliteren, het in stand houden en het verder uitbreiden van het drugsgebruik en de drugshandel en de daaraan verwante sociale en maatschappelijke problemen. Hij heeft zich niet bekommerd om de risico’s en gevolgen van zijn handelen.
Ook heeft de verdachte zich als zeventienjarige schuldig gemaakt aan de diefstal van een bromfiets en vernieling van het slot van die bromfiets. De verdachte heeft niet alleen financiële schade, maar ook veel overlast aan de benadeelde berokkend, kennelijk omdat hij eigen financieel gewin belangrijker vindt dan de rechten van anderen. Vervolgens heeft de verdachte bij zijn aanhouding voor voornoemde diefstal zich daartegen verzet. Daarbij is een verbalisant in zijn gezicht geraakt. Dit is een vervelend feit en de verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor het ambtelijk gezag.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een diefstal in vereniging en mishandeling van een politieagent. Dit weegt de rechtbank mee in het nadeel van de verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland (hierna: reclassering) van 16 april 2026 van en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft. Hij heeft in meerdere pleeggezinnen verbleven en binnen een gesloten setting. Daarnaast heeft hij een beneden gemiddeld intelligentieniveau (en bijbehorende beperkte weerbaarheid) en een (deels) negatief sociaal netwerk. Ten tijde van de strafbare feiten was er weinig stabiliteit in het leven van de verdachte; hij onttrok zich aan hulpverlening en had geen inkomen. De verdachte is tijdens zijn schorsing verhuisd naar een nieuwe woonplek, er is ingezet op dagbesteding en mogelijk betaald werk en hij is aangemeld voor behandeling bij de forensische jeugdpsychiatrie. De reclassering vindt het belangrijk dat het huidige traject wordt voortgezet en de verdachte verder kan profiteren van het toezicht en de begeleiding. Het is belangrijk dat de enkelband gefaseerd wordt afgebouwd, mede omdat de verdachte zich afgelopen week nog een keer heeft onttrokken. Het plan is om de enkelband binnen een maand af te bouwen. De reclassering adviseert toepassing van het jeugdstrafrecht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad van 20 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop ter zitting door de deskundige is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte met behulp van de jeugdreclassering een positieve ontwikkeling doormaakt. Hij is verhuisd naar een woonomgeving met meer toezicht en begeleiding en is bezig met het zoeken van een baan. Wel heeft de verdachte nog ondersteuning nodig bij zaken, zoals op tijd uit bed komen, het vasthouden van een baan en dient er meer (in)zicht te komen op zijn netwerk. De Raad vindt het belangrijk dat de jeugdreclassering betrokken blijft om de positieve ontwikkeling te bestendigen en adviseert daarom een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met bijzondere voorwaarden. Als bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd een meldplicht, jeugdreclasseringstoezicht, meewerken aan eventueel noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling, het hebben van een dagbesteding en zinvolle vrijetijdsbesteding, een contactverbod met de medeverdachte(n) en een locatiegebod, waarbij de dagbesteding en het locatiegebod worden gecontroleerd met elektronische monitoring. De Raad adviseert om geen jeugddetentie op te leggen, omdat de verdachte zijn woonplek bij PerspektieV dan zal verliezen. Dat is niet in zijn belang en doet de prille positieve ontwikkeling teniet.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in de zaak met parketnummer 08-342816-25
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. Uit het reclasseringsrapport van 16 april 2026 volgt dat wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte heeft een beneden gemiddeld intelligentieniveau en vertoont impulsief gedrag, waardoor hij de gevolgen van zijn gedrag niet kan overzien. Hij lijkt onvoldoende weerbaar en kan niet goed afstand nemen van problematische situaties. Daarnaast lijkt de verdachte gebaat bij verdere pedagogische beïnvloeding, mede omdat hij een indicatie heeft voor verlengde jeugdzorg.
De rechtbank zal voornoemd advies volgen en ook in deze zaak het jeugdstrafrecht toepassen, omdat zij ziet dat de verdachte gebaat is bij een pedagogische benadering en zo verder kan profiteren van hulpverlening en begeleiding.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Gezien de ernst en veelvoud van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie, mede omdat de uitvoer van harddrugs op zichzelf al een jeugddetentie rechtvaardigt. Tegelijkertijd neemt de rechtbank het advies tot het toepassen van jeugdstrafrecht over en is het gelet op de pedagogische benadering niet in het belang van de verdachte als hij terug moet in detentie. Hij zou dan immers zijn woonplek bij PerspektieV verliezen en de rechtbank vreest dat dat eerder zal bijdragen aan recidive dan dat een korte detentie zal bijdragen aan het voorkomen daarvan. Dat maakt dat de rechtbank een jeugddetentie van 180 dagen zal opleggen met aftrek van voorarrest, waarvan 149 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal de door de Raad geadviseerde voorwaarden opleggen, te weten de meldplicht, het meewerken aan door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte hulpverlening, diagnostiek en behandeling, het meewerken aan het hebben van zinvolle dagbesteding en een vrijetijdsbesteding, een locatiegebod (avondklok) en controle van het locatiegebod en de dagbesteding door middel van de enkelband. De duur van het elektronisch toezicht zal de rechtbank beperken tot maximaal een maand, zodat gefaseerd kan worden afgebouwd. De rechtbank ziet hierin voor nu nog een meerwaarde, mede omdat de verdachte zich recent nog heeft onttrokken. Voor de avondklok geldt ook dat deze nog maximaal een maand mag voortduren. Naast deze deels voorwaardelijke jeugddetentie legt de rechtbank aan de verdachte ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 100 uren, zodat de verdachte in die zin direct de consequenties van zijn gedrag ervaart.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
partiële vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding I feit 2 (parketnummer 09-027842-26) ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het in vereniging aanwezig hebben van ongeveer 40 gram XTC/MDMA, heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten in dagvaarding I en II heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van dagvaarding I – 09-027842-26
feit 1:
opzettelijk in vereniging handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II – 08-342816-25
feit 1:
diefstal;
feit 2:
wederspannigheid;
feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 31 (eenendertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf, zijnde 149 (honderdnegenenveertig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich tijdens de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van en zich zal melden op afspraken met de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Zwolle, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht;
2. zal meewerken aan diagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende behandeling, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. zich zal inzetten voor het vinden en behouden van een adequate dagbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering;
4. zich zal inzetten voor het hebben van een zinvolle vrijetijdsbesteding, waarbij de jeugdreclassering bepaalt wat zinvol is;
5. tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op het woon- of verblijfsadres op de Nachtegaalstraat 63, 8011 BV te Zwolle, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht met een maximale duur van één maand. Gedurende die periode mag de veroordeelde tussen 19.00 uur en 07.00 uur alleen naar buiten onder begeleiding van een door de jeugdreclassering goedgekeurde volwassene. In onderling overleg met de jeugdreclassering kunnen andere tijden voor de avondklok worden vastgesteld op het moment dat de verdachte een baan heeft;
6. meewerkt aan controle van het locatiegebod en de aanwezigheid op de dagbesteding door middel van elektronische controle (de enkelband), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht met een maximale duur van één maand;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, (instantiecode AST094), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 100 (HONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (VIJFTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,
en mr. C.M. Koole, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.