ECLI:NL:RBDHA:2026:14136

ECLI:NL:RBDHA:2026:14136

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL26.26249
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Toegangsweigering en grensdetentie art. 6 lid 1 en 2 Vw. Eiser mocht de toegang worden geweigerd, omdat hij op doorreis was naar België en daarbij niet beschikte over het vereiste Belgische visum. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft de minister vervolgens onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom, gelet op de omstandigheden van het geval, niet kon worden volstaan met een lichter middel. Vanwege dat motiveringsgebrek is de grensdetentie vanaf aanvang onrechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.26249

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2026 is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over de vrijheidsontnemende maatregel

1. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. Hij beschikt over een door het VK (Verenigd Koninkrijk) afgegeven vluchtelingenpaspoort, geldig tot 12 oktober 2028.

Over de toegangsweigering

2. De minister heeft eiser de toegang tot het Schengengebied geweigerd omdat hij op doorreis was naar België en hij niet beschikte over het vereiste visum. Tussen partijen in niet in geschil dat de minister hem om die reden de toegang kon weigeren. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit tot weigeren van de toegang is daarom ongegrond.

3. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

4. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

5. Eiser betoogt dat hem ten onrechte de vrijheid is ontnomen. Toen hem duidelijk werd dat hij niet naar België mocht doorreizen heeft eiser direct verklaard dat hij dan ook niet zou gaan. Eiser ziet niet in waarom de minister niet van die verklaring mocht uitgaan, er is verder ook geen enkele indicatie dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en hij beschikte over een retourticket. Bovendien mocht eiser wel visumvrij naar Nederland reizen. Volgens eiser valt ook niet in te zien waarom niet direct dezelfde dag een retourvlucht is geboekt door de minister.

De rechtbank overweegt allereerst dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een sterk belastend besluit is. Het gaat om een inbreuk op een van de fundamentele rechten van de mens, het recht om zich vrij te kunnen bewegen. Detentie is daarom ultimum remedium. Een vrijheidsontnemende maatregel dient enkel te worden toegepast als er geen andere alternatieven voorhanden lijken om het met die maatregel gediende doel te bereiken.

Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 en 10 april 2015 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014.

De minister heeft over het lichtere middel in de maatregel het volgende overwogen:

“Op Eindhoven Airport is de huidige situatie zo dat er geen artikel 6 lid 1 locatie is. Hierdoor kan dus de zogenoemde loungebeschikking niet worden uitgevoerd. Verder sluit Eindhoven Airport in de nacht haar deuren en zal niemand kunnen verblijven aan air-side. Tot slot is het voor betrokkene pas mogelijk om op maandag 11 mei terug te vliegen naar Manchester, Groot-Brittannië uitzonderingen daargelaten. Ook heeft de vreemdeling geen redenen of omstandigheden aangegeven, waarom van de maatregel zou moeten worden afgezien. Derhalve zie ik geen andere mogelijkheid dan voor een vrijheidsontnemende middel te kiezen. Een geweigerde vreemdeling toe te laten tot het Schengengebied is in strijd met de regel- en wetgeving en dus geen optie. Voor betrokkene wordt gekozen om hem te plaatsen in het Justitieel Complex Schiphol. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken.”

De rechtbank is van oordeel dat de minister er met deze overweging onvoldoende blijk van heeft gegeven dat de mogelijkheid tot het opleggen van een lichter middel zorgvuldig is onderzocht. Uit de motivering blijkt immers niet of de minister heeft onderzocht of nog dezelfde dag of een dag later een retourvlucht kon worden geboekt voor eiser, desnoods naar een andere luchthaven in het VK. Er gaan immers dagelijks vele vluchten naar het VK, vooral vanaf Schiphol, waar eiser naartoe is gebracht in het kader van de hem opgelegde detentie. In dat geval had aan eiser de – minder belastende – vrijheidsbeperkende maatregel voor verblijf van één nacht in de lounge kunnen worden opgelegd. Ook wanneer wél van de vluchtdatum 11 mei 2026 mocht worden uitgegaan schiet de motivering naar het oordeel van de rechtbank tekort. Door het gebruik van de termen ‘geen andere mogelijkheid’ en ‘geen optie’ laat de minister immers niet zien dat hij een lichter middel überhaupt heeft onderzocht of overwogen. Dat eiser in dat geval bij oplegging van een lichter middel feitelijk toegang tot Nederland zou hebben gekregen maakt niet dat die mogelijkheid niet bestond en dat de minister met die overweging kon volstaan. Dit klemt temeer nu eiser niet eerder op deze manier met de autoriteiten in aanraking is geweest en er dus geen aanwijzingen zijn dat met eiser in een situatie als deze geen afspraken hadden kunnen worden gemaakt. Uit de stukken blijkt bovendien dat eiser een goede baan heeft in het VK en over meer dan voldoende middelen beschikte om een onverwachte extra terugvlucht te boeken. Er zijn ook geen (andere) aanwijzingen dat eiser langer wilde verblijven in Nederland/het Schengengebied en dat hij zich om die reden zou onttrekken aan het toezicht.

Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat hij het besluit daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd. Eisers beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep voor zover gericht tegen de toegangsweigering is ongegrond. Het beroep voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel is gegrond vanwege voornoemd motiveringsgebrek. De vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig.

7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van

4 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 480,-.

8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de toegangsweigering ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over de vrijheidsontnemende maatregel gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Tegen deze uitspraak voor zover die over de toegangsweigering gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.F.A.M. Smeets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand