RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17988 (beroep) en NL26.17989 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A.W. IJland)
en
(gemachtigde: mr. S. Imami).
1. Eiser komt uit Marokko. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij in Marokko geen familie en onderdak heeft. Als hij terug moet keren naar Marokko, dan zal hij in een situatie van totale ontreddering belanden.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden die eiser heeft aangedragen, niet raken aan het Vluchtelingenverdrag of aan artikel 3 van het EVRM. Daarom kan eiser niet aangemerkt worden als vluchteling.
De rechtbank volgt verweerder. Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1962. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In Marokko heeft eiser geen familie en geen onderdak. Hij is bang dat hij bij terugkeer op straat komt te staan. Ook heeft eiser last van stress.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is geen terugkeerbesluit opgelegd, omdat hij op 20 mei 2020 al een terugkeerbesluit heeft gekregen. Aan eiser is een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas het volgende asielmotief:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat is op zichzelf echter niet genoeg om vluchteling te zijn. De omstandigheden die eiser heeft aangedragen, raken niet aan het Vluchtelingenverdrag of aan artikel 3 van het EVRM. Volgens verweerder zal eiser bij terugkeer naar Marokko niet in een situatie van totale ontreddering belanden.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM?
5. Eiser voert aan dat hij wegens zijn gevorderde leeftijd, zijn gebrek aan een sociaal netwerk en zijn slechte gezondheid bij terugkeer naar Marokko in een situatie van totale ontreddering zal raken. Verweerder had de actuele feitelijke en sociale situatie in Marokko moeten onderzoeken en beoordelen. Verweerder mocht niet zonder meer uitgaan van de beschikbaarheid van huisvesting bij eisers zus, het bestaan van opvangmogelijkheden en effectieve toegang tot medische en sociale voorzieningen. Verweerder handelt daardoor in strijd met de onderzoeksplicht van artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en met artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stellingen van eiser niet raken aan het Vluchtelingenverdrag of aan artikel 3 van het EVRM. Niet wordt ingezien waarom eiser in Nederland niet in een situatie van ontreddering terecht zou komen. Eiser heeft in Nederland immers ook geen sociaal netwerk en spreekt de taal amper. Juist omdat eiser in Marokko de taal kan spreken, kan hij daar terugvallen op voorzieningen. Bovendien heeft eiser vroeger in Marokko 23 jaar lang in het huis van zijn zus verbleven. Nu eisers zus in Nederland verblijft en dus niet woont in haar huis in Marokko, kan eiser bij terugkeer in Marokko weer intrekken in het huis van zijn zus. In Nederland is eiser al jaren dakloos. Eiser is in bezit van een telefoon en daarom kan hij mensen bellen over zijn terugkeer en aan zijn zus vragen of hij weer in haar huis mag verblijven. Hij kan anders ook een andere persoon inschakelen voor hulp. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en daarom kan hij ook toegang krijgen tot de Marokkaanse gezondheidszorg.
De rechtbank volgt verweerder. Eiser heeft immers geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zich niet kan handhaven in Marokko. Ook heeft eiser geen bewijs overgelegd voor zijn stelling dat hij mogelijk geen toegang zal hebben tot de beschikbare voorzieningen in Marokko. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat de medicatie die hij nodig heeft, niet in Marokko beschikbaar is. Van een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM is dan ook geen sprake. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Heeft verweerder de gezondheidssituatie van eiser voldoende onderzocht?
6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eisers medische klachten niet ernstig zullen verslechteren bij terugkeer naar Marokko. Verweerder heeft ook niet onderbouwd waarom eiser in Marokko toegang zal hebben tot adequate gezondheidszorg. Dat eiser onvoldoende zou hebben verklaard over zijn medische toestand, maakt niet dat verweerder geen medisch onderzoek had moeten verrichten. Verweerder handelt in strijd met artikel 3 van het EVRM en met artikel 64 van de Vw.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen geen aanleiding vormden tot medisch onderzoek. De klachten van eiser hadden immers geen invloed op het horen. Daarbij is eiser in bewaring gesteld en in beginsel wordt er geen medisch advies verstrekt aan een vreemdeling die in bewaring is gesteld. Bovendien heeft eiser tijdens de gehoren niet aangegeven dat zijn medische situatie bij terugkeer naar Marokko zal verslechteren. Hij heeft dit voor het eerst aangegeven in de zienswijze, maar die stelling heeft hij niet onderbouwd. Als Marokkaans burger heeft eiser in Marokko toegang tot gezondheidszorg. Om bovenstaande redenen voldoet eiser ook niet aan de voorwaarden van uitstel van vertrek om medische redenen.
De rechtbank constateert met partijen dat er geen medische stukken zijn overgelegd met betrekking tot eisers gestelde gezondheid. Verweerder was derhalve niet gehouden om daar nader onderzoek naar te doen. Het is aan eiser om zijn stelling met stukken te onderbouwen. Daarom slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.
Had verweerder eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten geven?
7. Eiser verzoekt om verblijf op humanitaire gronden en op grond van artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser had verweerder een individuele belangenafweging moeten maken. Eisers gevorderde leeftijd, zijn langdurig verblijf in Nederland en Marokko, zijn dakloosheid, zijn gebrek aan een sociaal netwerk en zijn medische problematiek zijn niet in onderlinge samenhang beoordeeld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijfsrecht op humanitaire gronden omdat eiser geen overige bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd. Van eiser wordt verwacht dat hij zich weer kan vestigen in Marokko.
De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat eiser in aanmerking komt voor verblijfsrecht op humanitaire gronden. Voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van gezinsleven. Ook heeft eiser geen stukken overgelegd ter onderbouwing van een privéleven zoals bedoeld in dat artikel. Daarnaast is het privéleven van eiser opgebouwd tijdens zijn illegaal verblijf en dat komt voor eisers eigen risico. Ook deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Mocht verweerder eisers asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. Eiser voert aan dat verweerder eisers aanvraag niet als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. Wat eiser heeft aangevoerd raakt immers direct aan artikel 3 van het EVRM en aan artikel 4 van het EU-Handvest. Eiser heeft dus feiten aangevoerd die relevant zijn voor asiel. Ook gaat verweerder voorbij aan de in de zienswijze gestelde redenen voor de asielaanvraag, door te concluderen dat de asielaanvraag enkel is ingediend om uitzetting uit te stellen. Ten slotte hecht verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht aan tijdsverloop, zonder een ex nunc beoordeling te maken.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen om drie redenen. De eerste reden is dat eiser geen omstandigheden heeft aangedragen die ter zake doen voor asiel (sub a van artikel 30b, eerste lid, van de Vw). Dat eiser niet terug kan keren naar Marokko omdat hij geen familie en onderdak heeft, hij last heeft van stress en medicatie neemt, raakt niet aan het Vluchtelingenverdrag of aan artikel 3 van het EVRM. De tweede reden is dat eiser de asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting uit te stellen (sub f van artikel 30b, eerste lid, van de Vw). De derden reden is dat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was (sub h van artikel 30b, eerste lid, van de Vw). Hij verblijft immers al sinds 20 maart 2017 in Nederland en heeft pas op 9 maart 2026 asiel aangevraagd. Dit nadat hem op 6 maart 2026 was medegedeeld dat hij op 14 maart 2026 zou worden uitgezet.
De rechtbank volgt verweerder. Eiser heeft immers pas na 9 jaar verblijf in Nederland asiel aangevraagd zonder dat daarvoor een goede reden is gegeven. Daarnaast heeft eiser pas asiel aangevraagd toen hem werd verteld dat hij moest terugkeren naar Marokko. Alleen al om deze redenen heeft verweerder de asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Ook deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Nu de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaart, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.