[opposant] , opposant
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2024 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11038, heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Hoewel daartoe niet uitgenodigd door de verzetsrechter, heeft verweerder een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend. Opposant heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om zonder zitting uitspraak te doen op het verzet. Aangezien opposant niet om een zitting in de verzetzaak heeft verzocht, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Opposant stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft zich blijkens een loopbrief van 22 maart 2022 gemeld op het asielzoekerscentrum in Ter Apel. Op 24 mei 2022 heeft hij een asielaanvraag in de vorm van het standaardformulier M35-H ondertekend. Op 10 november 2023 heeft opposant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
2. In de uitspraak van 17 juli 2024 heeft de rechtbank dit beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder op het moment van eisers ingebrekestelling nog niet in gebreke was om tijdig te beslissen. Volgens de rechtbank is daarmee niet voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen zoals neergelegd in artikel 6:12 van de Awb.
3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Hij voert kort weergegeven aan dat de rechtbank een aantal principiële standpunten heeft ingenomen en dat er om die reden eerst een zitting had moeten plaatsvinden. Volgens opposant is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van het moment van ondertekening van de M35-H als start van de beslistermijn, en is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van verlenging van de beslistermijn op grond van een besluitmoratorium voor Oekraïners.
4. Omdat verweerder niet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb is uitgenodigd om aan dit geding deel te nemen, wordt de inhoud van de verweerschriften buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De bestuursrechter moet ook in verzetsprocedures ambtshalve, dat wil zeggen uit eigen beweging, beoordelen of er sprake is van procesbelang. Dat is het geval als de indiener met het voeren van de procedure in een gunstigere positie kan geraken. De indiening van een verzetschrift is naar zijn aard gericht op het vervallenverklaren van de aangevallen uitspraak teneinde een nieuw oordeel te verkrijgen over het beroep. In het geval van opposant is echter al een nieuw oordeel verkregen over het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 14 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14164. Gelet op de formele rechtskracht van deze uitspraak ligt niet-ontvankelijkverklaring van het verzet in de rede. Hierbij merkt de rechtbank overigens nog op dat ook in deze uitspraak het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Ook bij niet-ontvankelijkverklaring kan een proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding omdat de rechtbank in de uitspraak van 17 juli 2024 ten onrechte is uitgegaan van toepasselijkheid van een besluitmoratorium voor Oekraïners op opposant, die de Syrische nationaliteit heeft. Hoewel blijkens de uitspraak van 14 juli 2025 het dictum van de aangevallen uitspraak niet onjuist was, is het verzet in zoverre terecht aangedragen dat in ieder geval gedeeltelijk een onjuist toetsingskader is gehanteerd. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467 bestaande uit een half punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van de proceskosten aan opposant tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro), te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 26 mei 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op: