ECLI:NL:RBDHA:2026:14159

ECLI:NL:RBDHA:2026:14159

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL25.51475, NL25.51476 en NL25.51477
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Asiel, Somalië, referentiekader, problemen met Al-Shabaab, huisinval, werkzaamheden oom, verklaringen grotendeels eensluidend, terugkeer naar Somalië, veiligheidssituatie, buitenschuldbeleid AMV, beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , eisers,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.51475, NL25.51476 en NL25.51477

V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij de besluiten van 21 oktober 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen de tolk [persoon] .

Overwegingen

1. Eisers hebben op 20 februari 2025 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2001 ( [eiser 1] ), 10 november 2003 ( [eiser 2] ) en 10 juni 2009 ( [eiser 3] ).

2. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers stellen samen te zijn opgegroeid in Afgooye. Zij woonden samen met de moeder van [eiser 3] en hun oma. Vanwege de werkzaamheden van hun oom voor de Somalische overheid heeft de familie problemen gekregen met Al-Shabaab. Eisers stellen dat hun oom door Al-Shabaab benaderd is om eisers te rekruteren en dat hij moest stoppen met zijn werkzaamheden voor de overheid. Omdat de oom dit heeft geweigerd hebben drie mannen van Al-Shabaab tijdens een huisinval op 20 februari 2024 de moeder van [eiser 3] en oma vermoord. [eiser 1] was aanwezig bij de huisinval, maar wist via het raam te ontsnappen en te vluchten in de buurt. Voor een periode van vier dagen na de huisinval zijn eisers nog in hun huis verbleven tot zij werden opgehaald door twee mannen en naar hun oom in [plaats] zijn gebracht. In een huis van hun oom hebben zij één jaar ondergedoken gezeten. Hierna zijn eisers door hun oom geholpen om Somalië te verlaten en naar Nederland te reizen, waar de moeder van [eiser 1] en [eiser 2] , tevens tante van [eiser 3] , verblijft. Bij terugkeer naar Somalië stellen eisers te vrezen om vermoord te worden door Al-Shabaab.

3. Verweerder wijst de asielaanvragen van eisers af als ongegrond. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab, waaronder de huisinval, de moord op de moeder van [eiser 3] en de oma van eisers vanwege de werkzaamheden van hun oom en de bedreigingen acht verweerder niet geloofwaardig.De verklaringen van [eiser 1] vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo blijven zijn verklaringen rondom de huisinval vaag, summier en blijven deze op sommige vlakken steken in algemeenheden. Hoewel er uit medisch advies een medische klacht bij [eiser 1] is vastgesteld vormde dit geen belemmering voor het gehoor. Van [eiser 1] mag verwacht worden dat hij op hoofdlijnen gedetailleerd kan verklaren over zijn asielmotieven omdat hij één jaar op een privéschool heeft gezeten. Dit is niet verschoonbaar door cultuurverschillen. Eisers hebben geen inzicht kunnen geven in de werkzaamheden van hun oom en er is wisselend verklaard over de inhoud van de bedreigingen door Al-Shabaab. Enerzijds verklaren zij te vrezen gerekruteerd te worden door Al-Shabaab en dat dit aan hun oom zou zijn meegedeeld door Al-Shabaab en anderzijds dat zij door Al-Shabaab worden vermoord als ze hun oom niet te pakken krijgen. Voorts lopen eisers geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Uit landeninformatie is te herleiden dat hun woonplaats Afgooye onder de macht staat van de federale overheid. In de regio Lower Shabelle gaat verweerder uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De door eisers overgelegde landeninformatie is niet van toepassing op hun individuele situatie. Aan [eiser 1] en [eiser 2] is een terugkeerbesluit opgelegd. Tot slot krijgt [eiser 3] geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV omdat het onderzoek naar adequate opvang in Somalië nog niet is afgerond.

4. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren daartegen het volgende aan. Zij stellen dat in de Somalische cultuur mannen niet spraakzaam zijn over zichzelf. De moord op de moeder van [eiser 3] en hun oma is bovendien een traumatische gebeurtenis geweest voor eisers. Dat er geen medische belemmeringen zijn doet hier niet aan af. [eiser 1] heeft desgevraagd steeds gedetailleerder verklaard over de gebeurtenissen rondom de inval en de verdere problemen met Al-Shabaab, waardoor hij niet is blijven steken in algemeenheden. Er is sprake van een andere lezing over de verklaring van [eiser 1] dat hij een kogel gezien of gevoeld heeft. Ten aanzien van de littekens bij [eiser 1] heeft verweerder niet doorgevraagd, zoals wel gedaan is bij andere aspecten van het asielrelaas. In de periode van vier dagen na de huisinval hebben eisers weliswaar in hun woning gezeten, maar er waren telkens meerdere mensen bij hen aanwezig in de woning. Toen eisers in de woning van hun oom verbleven was hun oom weinig thuis. De oom deed er alles aan om eisers te beschermen. Inmiddels is het duidelijk geworden dat de oom van eisers werkzaam is voor de politie in Somalië. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers foto’s van hun oom in uniform overgelegd, evenals zijn politiepas en een verklaring van de oom over de problemen met Al-Shabaab. Verder hebben eisers foto’s van de graven van de moeder van [eiser 3] en de oma van eisers overgelegd en het paspoort van de in Nederland wonende moeder van [eiser 1] en [eiser 2] . Eisers vrezen bij terugkeer naar Somalië om vermoord te worden door Al-Shabaab. Nu eisers behoren tot de Shekalstam zullen zij achtergesteld worden in de bescherming tegen Al-Shabaab, maar ook in opleiding en werk. En zij zullen bij terugkeer moeten reizen door gebied dat in handen is van de Al-Shabaab. In Afgooye en Lower Shabelle is Al-Shabaab zeer actief en vinden er regelmatig aanslagen plaats, waaronder op mensen die voor de overheid werken.

5. In de aanvullende gronden van beroep van 28 april 2026 hebben eisers een brief overgelegd met een vertaling waarin staat dat de nummers van de graven zijn gekoppeld aan de namen van de moeder van [eiser 3] en de oma van eisers. Tot slot verwijzen eisers naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 26 maart 2026 en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 30 maart 2026.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Voor de beoordeling van de door eisers gestelde problemen met Al-Shabaab neemt de rechtbank het relaas van [eiser 1] als uitgangspunt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het relaas van [eiser 2] en [eiser 3] in overwegende mate wordt gesteund door hetgeen door [eiser 1] is verklaard en naar voren is gebracht, zodat de beoordeling van diens relaas in belangrijke mate bepalend is voor de beoordeling van de gestelde problemen van alle eisers.

7. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond van [eiser 1] dat zijn culturele achtergrond van invloed is op zijn vermogen om te verklaren.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende en kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van [eiser 1] . Het is in de eerste plaats aan eiser om met zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk te maken. In het geval van eiser is niet gebleken dat eiser daartoe onvoldoende in staat is. Uit het medisch advies volgt dat er geen medische belemmeringen zijn voor het horen van [eiser 1] . De algemene verwijzing van [eiser 1] naar de Somalische cultuur is onvoldoende. Hieruit volgt niet waarom zijn achtergrond zou maken dat hij minder goed in staat is om te verklaren over de gestelde problemen met Al-Shabaab. Verweerder mocht in de besluitvorming daarom uitgaan van de verklaringen die [eiser 1] tijdens de gehoren heeft afgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Problemen met Al-Shabaab

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit van [eiser 1] gewezen op een aantal onduidelijkheden en oppervlakkigheden in zijn verklaringen. Zo wordt tegengeworpen dat [eiser 1] oppervlakkig verklaart over wat hij deed in de ochtend voorafgaand de huisinval. Eiser verklaart aanvankelijk op die vraag dat hij lag te slapen. Nadat verweerder doorvraagt of hij die ochtend nog iets heeft gedaan vertelt eiser het volgende: “Nee, ik ben in de ochtend wakker geweest, ontbijten, tanden poetsen, douchen. Ik ben wakker gebleven en daarna ging ik weer terug naar mijn kamer.” De rechtbank volgt verweerder niet in de overweging dat het feit dat hierover in eerste instantie summier is verklaard, duidt op ongeloofwaardigheid. Daarbij is van belang dat nadere detaillering na doorvragen in een gehoor een normaal en te verwachten verloop is van een gehoorgesprek en op zichzelf niet af doet aan de consistentie van de verklaringen. Ook motiveert verweerder onvoldoende waarom deze verklaringen van [eiser 1] oppervlakkig zijn en niet getuigen van een persoonlijk verhaal. Ten aanzien van de gestelde huisinval is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser daarover vaag, algemeen en summier verklaard heeft. Eiser verklaart op dit punt -samengevat- dat hij uit zijn kamer kwam, op de overloop, vervolgens de woonkamer en dat hij niks kon zien. Pas op de veranda zag hij dat zijn oma en tante op de grond lagen, twee mannen bij hen stonden en dat een man bij de deur naar hem keek, dat hij bang was dat de man hem zou vermoorden, dat hij terug rende naar zijn kamer en uit zijn raam sprong. Hij zag en voelde en kogel langs zich passeren en hij hield zich vervolgens schuil in de steegjes achter het huis. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] consistent en gedetailleerd heeft verklaard, over zijn waarneming van de inval, over de wijze waarop hij via een raam in de woning heeft kunnen ontkomen, hoe hij zich vervolgens in de buurt van de woning heeft schuilgehouden en de daarbij opgelopen verwondingen. Verweerder heeft op dit onderdeel niet kenbaar doorgevraagd naar relevante details van de gebeurtenis en de directe nasleep daarvan.

10. Voorts hebben eisers vanaf het moment dat zij na het incident weer bij elkaar zijn gekomen in onderlinge samenhang consistent verklaard over de gebeurtenissen daarna. Eisers hebben verklaard dat zij gedurende vier dagen in de woning hebben verbleven, waarbij zij zijn voorzien van eten door buurtbewoners, dat zij zich angstig voelden en niet wisten waar zij naartoe moesten. Vervolgens zijn eisers opgehaald door twee mannen die door hun oom waren gestuurd en zijn zij per personenauto vertrokken naar [plaats]. Verweerder heeft ook op dit punt niet gericht doorgevraagd naar de details van deze reis en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond, zodat niet aan eisers kan geworden tegengeworpen dat zij hierover volgens verweerder onvoldoende hebben verklaard. Eisers hebben eveneens consistent verklaard over de onbekendheid van de gestelde verblijfsplaats, te weten de woning van de oom in [plaats], waar eisers gedurende periode van een jaar na de inval zouden hebben verbleven.

11. Ten aanzien van de gestelde rol van de oom oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet volgt dat eiser nauwelijks iets weten van de werkzaamheden van de oom. De rechtbank stelt vast dat eisers consistent hebben verklaard dat hij werkzaam was voor de overheid in Somalië. Ook uit hetgeen ter zitting door de moeder van [eiser 1] en [eiser 2] is verklaard volgt dat de exacte functie van de oom niet bij haar en de andere familieleden bekend was.

12. Het standpunt van verweerder dat het ongerijmd is dat eisers hebben verklaard dat zij enerzijds vrezen te worden vermoord door Al-Shabaab en anderzijds via hun oom hebben vernomen dat Al-Shabaab hen zou willen rekruteren, volgt de rechtbank evenmin. Deze door eisers gestelde redenen sluiten elkaar niet uit en kunnen in onderlinge samenhang naast elkaar bestaan. Het enkele feit dat sprake is van verschillende dreigingsscenario’s maakt niet dat reeds daarom sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van eisers niet geloofwaardig wordt geacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaringen van eisers op dit punt in belangrijke mate eensluidend zijn en elkaar onderling ondersteunen. Het beroep is reeds daarom gegrond. Om redenen van finale geschilbeslechting zal de rechtbank ook ingaan op de verdere beroepsgronden.

Terugkeer naar Somalië

14. De rechtbank stelt vast dat aan [eiser 1] en [eiser 2] in de besluiten van 20 februari 2025 tevens een terugkeerbesluit is opgelegd.

15. In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna het Hof) heeft in het arrest van 9 november 2023 in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie, de meest uitzonderlijke, is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in een gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.

16. Verweerder gaat uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld voor verscheidene regio’s in Somalië, waaronder Afgooye waar eisers vandaan komen. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten en de daaraan voorafgegane voornemens met verwijzing naar algemene landeninformatie, waaronder het algemeen ambtsbericht over Somalië uit april 2025, op het standpunt gesteld dat het herkomstgebied van eisers in Somalië onder controle staat van de overheid. Daarbij heeft verweerder ook betrokken dat eisers niet over land moeten reizen waar Al-Shabaab de macht heeft of het gebied controleert.

17. Uit recente landeninformatie blijkt dat de veiligheidssituatie in Zuid-Somalië, waaronder de regio Lower Shabelle, in het begin van 2025 is verslechterd. De regio Lower Shabelle is het gebied waar de meeste geweldsincidenten plaatsvinden en waar tevens sprake is van een toename van het aantal incidenten. Uit deze informatie volgt verder dat Al-Shabaab in korte tijd aanzienlijke gebieden heeft heroverd, zijn positie in rurale gebieden en stedelijke gebieden heeft versterkt en in toenemende mate in staat is gebleken om ook strategische locaties en uitvalswegen te controleren of te beïnvloeden. Voorts volgt uit de landeninformatie dat de feitelijke machtsverhoudingen in delen van het gebied en infrastructuur diffuus zijn. Het is niet duidelijk welke gebieden veilig via landroutes kunnen worden bereikt zonder doorkruising van door Al-Shabaab beïnvloede zones, met name waar het gaat om hoofdwegen en controleposten. Hieronder valt ook de verbindingsroutes vanaf [plaats] naar Afgooye. Tot slot is de controle van de federale autoriteiten niet duurzaam en effectief gebleken.

18. Gelet op deze informatie is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat Al-Shabaab niet de controle heeft in het (buiten)gebied waarin Afgooye ligt. Dit betekent dat verweerder opnieuw en aan de hand van alle relevante openbare informatiebronnen een actuele beoordeling dient te maken van de vraag of eisers bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade lopen.

Buitenschuldbeleid AMV

19. Verweerder vindt dat [eiser 3] op dit moment niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuld beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen , omdat de Dienst Terugkeer &Vertrek (DT&V) het onderzoek naar adequate opvang in Somalië nog niet heeft afgerond. Eiser heeft rechtmatig verblijf gedurende het onderzoek en tot aan het besluit op de ambtshalve toets in het kader van het buitenschuld beleid AMV.

20. In een drietal uitspraken van 8 juni 2022, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het Europese Hof van 14 januari 2021 in de zaak T.Q. tegen Nederland. In deze uitspraken is geoordeeld dat verweerder zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. Verweerder moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat verweerder voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet verweerder in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet verweerder een reguliere verblijfsvergunning verlenen.

21. Verweerder heeft niet in overeenstemming met deze rechtspraak gehandeld. [eiser 3] heeft op 20 februari 2025 zijn asielaanvraag ingediend. In de periode tot en met het voornemen van 17 oktober 2025 is door verweerder niet meer gedaan dan het stellen van enkele vragen over de familieleden van [eiser 3] . Verweerder heeft deze vragen gesteld in de gehoren, die als vast onderdeel van de asielprocedure moeten worden afgenomen. In het bestreden besluit of tijdens de zitting is op geen enkele manier gebleken waarom verweerder niet meer onderzoek heeft verricht. Het standpunt dat het onderzoek niet (volledig) kan worden verricht zolang er nog niet is beslist op de asielaanvraag, wordt niet gevolgd. Dit is immers in strijd met de hiervoor genoemde rechtspraak en met artikel 24, derde lid, van de Opvangrichtlijn. Op grond van deze bepaling moet verweerder zo spoedig mogelijk na het asielverzoek beginnen met het opsporen van de gezinsleden van de niet-begeleide minderjarige. Het onderzoek mag er weliswaar niet toe leiden dat de minderjarige of diens familieleden in gevaar komen, maar dat betekent niet dat verweerder kan stilzitten. Het onderzoek naar adequate opvang kan immers ook plaatsvinden zonder de ondersteuning van de (lokale) autoriteiten in het land van herkomst in te roepen. Daar komt in deze zaak nog bij dat [eiser 3] niet heeft gesteld dat hij vreest voor de autoriteiten van Somalië. Verweerder heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom hij een terugkeerbesluit achterwege heeft gelaten en waarom hij geen reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid aan [eiser 3] heeft verleend.

Conclusie

22. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 21 oktober 2025;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand