uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18601
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Portugal hiervoor verantwoordelijk is.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
4. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis blijkt dat de Portugese autoriteiten eiser een visum hebben verleend dat geldig was tot 6 september 2025. Het visum was minder dan 6 maanden verlopen ten tijde van de indiening van eisers asielaanvraag in Nederland. Verweerder heeft daarom op 5 december 2025 een overnameverzoek ingediend bij de Portugese autoriteiten. De Portugese autoriteiten hebben dit overnameverzoek op 2 februari 2026 aanvaard.
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert in dat verband aan dat zijn overdracht aan Portugal, gezien zijn persoonlijke situatie, zou getuigen van onevenredige hardheid. Eiser vreest bij terugkeer naar Portugal zonder verdere behandeling van zijn aanvraag terug te worden gestuurd naar Nigeria. Hij kan zich daartegen niet verweren. Eiser stelt dat hij wordt bedreigd door de mensensmokkelaar die hem naar Portugal heeft gebracht, en dat deze mensensmokkelaar heeft gezegd dat hij banden heeft met de Portugese autoriteiten. Eiser durft zich daarom niet tot de Portugese autoriteiten te wenden. Van hem kan in deze omstandigheid niet verwacht worden dat hij de hulp of de bescherming inroept van de Portugese autoriteiten of in voorkomend geval een klacht indient. Tijdens zijn eerdere verblijf in Portugal heeft eiser ook geen hulp gekregen van de Portugese autoriteiten. Op deze gronden, zo stelt eiser, had verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat Portugal in beginsel de verantwoordelijke lidstaat is om een verzoek om internationale bescherming van eiser te behandelen. Evenmin is in geschil dat er in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van het vermoeden dat Portugal zich houdt aan zijn internationale verplichtingen.
8. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat voor Portugal mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Portugal zijn. Hierbij is van belang, zoals terecht gesteld in het bestreden besluit, dat eiser niet eerder asiel in Portugal heeft aangevraagd en dus ook geen ervaring heeft met de asielprocedure in dat land. Uit wat eiser heeft verklaard blijkt evenmin dat hij heeft geprobeerd de hulp of de bescherming in te roepen van de Portugese autoriteiten. Het enkele feit dat eiser stelt bang te zijn om zich tot de Portugese autoriteiten te wenden omdat de mensensmokkelaar heeft gezegd dat hij daar banden heeft, is onvoldoende om aan te nemen dat voor eiser geen hulp beschikbaar is of dat hij niet zou kunnen klagen over het uitblijven van hulp of bescherming. Bovendien mag verweerder er op basis van het claimakkoord van uitgaan dat eisers asielaanvraag door Portugal in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Er is geen aanwijzing dat eiser zich bij problemen niet zou kunnen wenden tot de Portugese autoriteiten.
9. Voor zover het beroep van eiser moet worden opgevat als een beroep op bescherming tegen (indirect) refoulement verwijst de rechtbank naar de vaste rechtspraak op dit punt. Omdat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan de beoordeling van het gestelde risico op indirect refoulement niet plaatsvinden binnen de kaders van een Dublinprocedure.
10. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Portugal van onevenredige hardheid getuigt, heeft verweerder geen toepassing hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De omstandigheden en ervaringen van eiser in Portugal heeft verweerder al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeven daarom niet opnieuw te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
11. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser kan worden overgedragen aan Portugal. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.