RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44276
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
Op 11 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 1 mei 2019.
Bij besluit van 16 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 1 mei 2019 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij als moslim is opgegroeid in Gambia. Onder invloed van zijn moeder is eiser zich gaan interesseren voor het christendom. Hierdoor heeft hij problemen ondervonden van zijn islamitische vader. Om deze reden heeft eiser Gambia verlaten. Hij praktiseerde zowel de islam als het christendom, totdat hij zich van beide religies afkeerde. Eiser is nu niet-religieus. Hij vreest bij terugkeer problemen van zijn familie, omdat zij hem afvalligheid toedichten.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De geloofwaardigheid van de non-religieuze overtuiging en de problemen
met vader vanwege de toegedichte afvalligheid is niet op geloofwaardigheid beoordeeld, maar meteen op zwaarwegendheid. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de vrees van eiser niet voldoende zwaarwegend is voor het verlenen van een verblijfsvergunning. Hoewel het mogelijk is dat het niet-religieus zijn kan leiden tot problemen, wordt verwacht dat eiser indien nodig bescherming vraagt van de autoriteiten in Gambia.
2. Eiser stelt in beroep dat bescherming vragen bij voorbaat zinloos en gevaarlijk was. In 2015 was afvalligheid een strafbaar feit en was hij pas dertien jaar oud. Verder ziet de informatie van verweerder, waaruit zou blijken dat bescherming van de Gambiaanse autoriteiten mogelijk is, niet op afvalligen of mensen die bewust een non-religieuze overtuiging uitdragen. Voor de opvattingen zoals die van eiser, waar hij uitvoerig over heeft verklaard, is in Gambia geen plaats. Hij is nergens veilig voor zijn familie, zeker nu zijn neef werkzaam is bij de inlichtingendienst en zijn oom een hoge functie in het leger heeft. Eiser stelt, onder verwijzing naar artikel 7 van de Definitierichtlijn, dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat er bescherming geboden wordt door enkel te wijzen op de Gambiaanse Grondwet. Daarmee is niet onderzocht of autoriteiten in de praktijk bescherming kunnen en willen bieden. Uit de informatie zoals aangehaald in de zienswijze volgt juist dat sprake is van corruptie en ongelijke behandeling bij rechtbanken. Ook is blasfemie strafbaar. Politie, justitie en rechtspraak zijn niet onafhankelijk. Het gaat bij artikel 7 Definitierichtlijn om de vraag of sprake is van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing, en om toegang. Niet enkel om het bestaan van een grondwet die bepaalde praktijken verbiedt.
Verder stelt eiser dat hij ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft gekregen en alleen met terugwerkende kracht een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid. Door trage en onrechtmatige besluitvorming heeft hij hiervan geen voordeel gehad en kon hij geen andere vergunning aanvragen. Hij is daardoor ernstig benadeeld en heeft schade geleden, wat zwaar mee moet wegen bij de belangenafweging. Eiser vindt dat hij niet adequaat is gehoord en dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn taalvaardigheid en privéleven. Daarnaast heeft eiser in ruim zes jaar een uitgebreid privéleven opgebouwd, waarvan een groot deel onder semi-rechtmatig verblijf. Dit privéleven mag niet voor zijn rekening en risico komen, omdat hij moest wachten op het beleid en hem is toegezegd dat er een positieve beslissing zou volgen. Daarnaast stelt eiser dat verweerder onterecht de belangenafweging tegen hem maakt en onvoldoende waarde hecht aan zijn opgebouwde privéleven en de rol van verweerder daarbij. Ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning heeft hij twee MBO-opleidingen afgerond en is hij toegelaten tot een selecte opleiding bij Defensie, wat een baangarantie biedt en bijdraagt aan de economie. Eiser wijst erop dat hij in Gambia geen familie meer heeft en vanwege zijn geloof wordt bedreigd, waardoor terugkeer onmogelijk is. Verweerder houdt hier geen rekening mee en erkent niet dat hij hier zijn vormende jaren heeft doorgebracht met vrijheid van godsdienst en een sociaal leven. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar zijn sociale contacten en heeft onterecht aangenomen dat hij nog banden met Gambia onderhoudt. Ook zijn er geen zwaarwegende belangen van verweerder genoemd. Tot slot stelt eiser dat hij onterecht is uitgesloten van een reguliere verblijfsvergunning op grond van schrijnendheid, omdat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom zijn bijzondere situatie dat niet is. Hij benadrukt dat de lange behandelduur, in combinatie met een verblijfsvergunning, afgeronde opleidingen, termijnoverschrijdingen en toezeggingen zijn situatie schrijnend en uniek maken. Verweerder moet duidelijk uitleggen waarom dit niet als schrijnend wordt gezien, vooral gezien zijn rechtmatig en semi-rechtmatig verblijf, bedreiging in het land van herkomst, benadeling door de overheid, belang van het kind en maatschappelijk belang. Dat deze factoren ook bij anderen spelen, doet daar volgens eiser niet aan af.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
4. Nu met het bestreden besluit alsnog op de asielaanvraag van eiser is beslist, heeft eiser geen belang meer bij beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Dat beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser heeft beslist. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, zal het verzoek om een proceskostenveroordeling worden toegewezen.
Beroep gericht tegen het bestreden besluit
6. Uit verweerders beleid in paragraaf C2/3.4 van de Vc volgt dat hij bij het beoordelen van bescherming eerst onderzoekt of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is aan de hand van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst. Als is vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de autoriteiten niet bereid of in staat zijn om hem bescherming te bieden.
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht vastgesteld dat religieuze vrijheid is vastgelegd in de Grondwet van Gambia en dat discriminatie op grond van religie verboden is. In het verlengde daarvan wordt terecht gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 december 2024, die is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 10 januari 2025. Daarnaast heeft verweerder landeninformatie aangehaald waaruit blijkt dat er een algemeen klimaat heerst in Gambia van religieuze tolerantie en staat Gambia niet vermeld op de ‘Freedom of Religion of Belief Victims List’ van de United States Commission on International Freedom (USCIRF). Dit is een lijst gebaseerd op de database van de USCIRF, die personen catalogiseert die zijn vastgehouden, gevangengezet, verdwenen gemarteld onder huisarrest worden geplaatst of gedwongen afstand doen van geloof voor hun religie of overtuiging. Uit het feit dat Gambia niet op deze lijst voorkomt, heeft verweerder mogen concluderen dat Gambia het recht op vrijheid van godsdienst handhaaft. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden overwogen dat eiser in zijn algemeenheid de bescherming van de autoriteiten kan inroepen indien hij vanwege zijn afvalligheid problemen ondervindt (met zijn familie).
8. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de Gambiaanse autoriteiten desondanks niet bereid of in staat zijn om hem bescherming te bieden. De aangehaalde landeninformatie ziet voornamelijk op Christenen en niet op afvalligen en ziet daarnaast ook niet op de vraag of bescherming van de autoriteiten wel of niet mogelijk zou zijn.
9. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich, nu hij meerderjarig is, bij terugkeer ook kan onttrekken aan de invloedssfeer van zijn vader en familie. Daarnaast mag dus ook van hem verwacht worden dat hij zich wendt tot de Gambiaanse autoriteiten bij terugkeer. Ook voor zover eiser van school gestuurd zou zijn vanwege zijn afvalligheid, is niet is gebleken dat hij hierover heeft geklaagd bij de autoriteiten. Wat betreft de stelling van eiser dat hij nergens veilig is omdat zijn familie dermate machtig is, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat uit zijn verklaringen niet kan worden afgeleid dat zijn vader meer dan andere personen machtig of invloedrijk zou zijn, waardoor eiser meer risico loopt op problemen.
10. Voor zover eiser stelt dat blasfemie strafbaar is gesteld in Gambia en dat hij dus ook voor het uiten van zijn niet-religieuze houding al vervolgd kan worden, geldt dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar landeninformatie waaruit volgt dat geen gevallen van 'criminal blasphemy law enforcement' zijn gevonden in Gambia. Ook wordt nog verwezen naar de laatste drie International Freedom Reports over Gambia waarin ook geen melding wordt gemaakt van arrestaties of vervolgingen in verband met blasfemie. Ook ziet de strafbaarstelling van blasfemie in Gambia niet op afvalligheid of niet-religieus zijn, maar op godslastering. Verweerder heeft zich verder ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak geen groot verschil bestaat tussen afvallig zijn en niet-religieus zijn. Eiser heeft immers niet verklaard dat hij zich op enige godslasterende manier wil verkondigen in Gambia.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de uitgevoerde belangenafweging het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen niet ten onrechte minder zwaar laten wegen bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Hoewel het volkomen begrijpelijk is dat eiser gedurende zijn asielprocedure privéleven heeft opgebouwd in Nederland, blijft staan dat eiser in die periode geen zekerheid had over zijn verblijfspositie in Nederland. Ook in de periode dat eiser met terugwerkende kracht wel een vergunning heeft gehad, betrof dit een tijdelijke buitenschuldvergunning die slechts geldig was tot zijn achttiende verjaardag. Dus hoewel in eisers voordeel meeweegt dat hij enige tijd in het bezet is geweest van een verblijfsvergunning, heeft verweerder de opgebouwde banden met Nederland niet zwaar mee kunnen wegen. De opleidingen heeft eiser ook gevolgd in een periode van onrechtmatig verblijf, dus dit heeft verweerder niet zwaar in het voordeel van eiser kunnen meewegen. Overigens valt niet in te zien dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar eisers beheersing van de Nederlandse taal. Het is immers aan eiser om de mate van beheersing van de Nederlandse taal aan te tonen. Dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, heeft verweerder dan ook in het nadeel van eiser kunnen meewegen. Ook is niet in geschil dat eiser op dit moment niet werkt en daarmee een beroep doet op de openbare kas. Dit heeft verweerder zwaar in zijn nadeel kunnen meewegen.
12. Om te spreken van een schrijnende situatie in de zin van artikel 3.6ba van het Vb dient er sprake te zijn van een samenstel van bijzondere, individuele omstandigheden. Alle aangedragen omstandigheden moeten aan een aantal vereisten voldoen. Zo moeten ze niet passen binnen het reguliere beleid en ook moet het een samenstel van bijzondere omstandigheden betreffen. Eén bijzondere individuele omstandigheid is daarmee onvoldoende om in aanmerking te komen voor een reguliere vergunning op grond van schrijnendheid. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eiser hiervoor niet in aanmerking komt. De rechtbank erkent, met verweerder, dat de lange behandelduur van eisers asielaanvraag niet de schoonheidsprijs verdient, maar als omstandigheid onvoldoende is om te kunnen leiden tot een verblijfsvergunning op basis van schrijnendheid.
13. Het beroep tegen het bestreden besluit is dan ook ongegrond.
Conclusie
14. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond.
15. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten die zij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.