ECLI:NL:RBDHA:2026:1418

ECLI:NL:RBDHA:2026:1418

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer NL25.49619
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser door zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging geen risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Iran. Dat geldt ook voor het standpunt van verweerder dat eisers politieke activiteiten en overtuiging onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiser risico loopt bij terugkeer naar Iran. Daarbij heeft verweerder eisers asielmotieven ten onrechte niet in samenhang bezien. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49619

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser door zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging geen risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Iran. Dat geldt ook voor het standpunt van verweerder dat eisers politieke activiteiten en overtuiging onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiser risico loopt bij terugkeer naar Iran. Daarbij heeft verweerder eisers asielmotieven ten onrechte niet in samenhang bezien. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 juni 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan hem was eerder vanaf 1 september 2023 al een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend, voor studie. Verweerder heeft deze vergunning met het besluit van 3 april 2024 met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 31 december 2023, omdat eiser vanaf die datum gestopt was met zijn studie.

Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1991. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard op zijn zeventiende in aanraking te zijn gekomen met stromingen die kritisch zijn op de islam. Eiser heeft toen besloten om atheïst te worden. Hij heeft vanwege zijn manier van leven problemen gehad met Javad Noori en zijn religieuze beweging. Die problemen zijn ontstaan toen eiser zelf een café had. Eiser heeft zich verder kritisch uitgelaten bij demonstraties in Iran. Hij heeft in Nederland ook gedemonstreerd. Eiser vreest bij terugkeer te worden vermoord of opgepakt te worden vanwege de uiting van zijn atheïstische manier van leven.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Ook heeft hij tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Volgens verweerder bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met de religieuze groepen;

3. politieke activiteiten;

4. atheïsme.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de religieuze groepen zijn volgens verweerder deels geloofwaardig, namelijk tot 2016, maar de problemen die eiser na 2016 stelt te hebben gehad, vindt verweerder ongeloofwaardig. Verweerder werpt in dit kader tegen dat de verklaringen van eiser over de problemen na 2016 geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat zij ongerijmd en niet onderbouwd zijn. Verweerder werpt ook tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Hij voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw. De politieke activiteiten van eiser en zijn atheïsme vindt verweerder wel geloofwaardig.

Verweerder heeft vervolgens de geloofwaardige elementen op zwaarwegendheid getoetst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt vanwege zijn Koerdische etniciteit is ook onvoldoende om die aan te merken als daad van vervolging. Ook eisers politieke activiteiten en overtuiging zijn onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Verweerder betrekt hierbij onder andere dat eisers politieke activiteiten beperkt van aard zijn en geen blijk geven van een sterk ontwikkelde politieke overtuiging. Er zijn verder geen aanwijzingen dat eiser in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging of activiteiten. Ook eisers afvalligheid en atheïstische overtuiging leiden niet tot gegronde vrees voor vervolging. Verweerder acht daarbij van belang dat de uiting van eisers afvalligheid en atheïstische overtuiging geen wezenlijk onderdeel uitmaakt van zijn religieuze identiteit. Verweerder betrekt hierbij dat eiser zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging in het verleden in Iran niet actief heeft geuit en dat uit zijn verklaringen ook niet blijkt dat hij in Nederland zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging actief uitdraagt. Daarom mag volgens verweerder verwacht worden dat eiser bij terugkeer bij een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven in Iran niet verklaart afvallig en atheïstisch te zijn. Verder is het niet aannemelijk dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als hij een seculiere levensstijl gaat aanhouden bij terugkeer naar Iran.

Ook loopt eiser volgens verweerder bij terugkeer naar Iran geen reëel risico op ernstige schade. Verweerder betrekt hierbij dat er geen aanwijzingen zijn dat de religieuze groepen waar eiser voor 2016 problemen mee heeft gehad na al die jaren nog actief naar hem op zoek zijn.

Heeft verweerder de problemen met de religieuze groepen na 2016 ongeloofwaardig kunnen vinden?

5. Eiser voert aan dat verweerder zijn problemen met de religieuze groepen na 2016 ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder maakt ten onrechte onderscheid tussen een café en een hostel. Ook een hostel is in de regel immers een café. Van wisselende of tegenstrijdige verklaringen is geen sprake. De aannemer die zou helpen bij het hostel is dezelfde als de aannemer die hem hielp met het café in 2012. Eiser voert aan dat de stelling van verweerder dat met de sluiting van eisers café in 2016 het doel van de religieuze groepen bereikt was en daarom niet valt in te zien dat zij hem na 2019 nogmaals zouden lastig vallen, onhoudbaar is. Het tegenovergestelde is veel aannemelijker: omdat deze groepering het café van eiser wilde sluiten in 2016, was dit ook hun doel bij het nieuw te openen café/hostel, te meer nu de bedreigingen die zijn geuit via zijn aannemer kennelijk geloofwaardig zijn geacht. Dat deze bedreigingen niet rechtstreeks aan hem zijn geuit, doet hieraan niet af.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de problemen van eiser met de religieuze groepen voor 2016, door het exploiteren van het café dat was bedoeld als plek voor intellectuele uitwisseling, gedachtewisseling en muziek- en filmavonden, geloofwaardig zijn. De problemen met de religieuze groepen na 2016 zijn volgens verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft verklaard dat dezelfde religieuze groepering hem weer bedreigd heeft toen hij in 2019 een hostel wilde oprichten, maar verweerder ziet niet in waarom deze groepering eiser weer lastig zou vallen nu hij dit keer geen café wilde openen, maar een hostel. De verklaring van zijn aannemer dat de religieuze groepering tegen hem heeft gezegd dat als het hostel er zou komen, eiser zou worden vermoord, is een derdenverklaring en is ook niet nader onderbouwd. Dat eiser bij zijn terugkeer naar Iran in 2023 heeft gehoord van de neef van zijn vader dat de religieuze groepen naar eiser op zoek waren omdat ze hem wilden vermoorden vanwege de deelname van eiser aan de demonstraties in 2022, volgt verweerder ook niet. Niet valt in te zien hoe de religieuze groepen op de hoogte zijn geraakt van eisers deelname aan de demonstraties. Ook gaat het hier weer om een niet onderbouwde derdenverklaring. Tot slot ziet verweerder niet in waarom deze mensen na zoveel jaren nog steeds naar eiser op zoek zouden zijn, terwijl hij in de tussentijd, van 2016 tot 2019, zonder problemen heeft kunnen leven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de problemen met de religieuze groepen na 2016 geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank kan verweerders standpunt dat ongeloofwaardig is dat de religieuze groepen eiser in 2019 weer hebben bedreigd toen hij een hostel wilde openen, niet goed volgen. Verweerders standpunt dat zij met de sluiting van eisers café hun doel hadden bereikt en dat het beoogde hostel - kennelijk - geen ongewenste activiteit is, is slechts een niet nader onderbouwde aanname. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser op dit punt ten onrechte tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Nu dit er niet aan in de weg heeft gestaan om eisers problemen met de religieuze groepen voor 2016 geloofwaardig te vinden, kan dit niet worden gebruikt als argument om ze na 2016 opeens ongeloofwaardig te vinden. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder zijn standpunt over de gestelde problemen met de religieuze groepen na 2016 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Loopt eiser door zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging een risico op vervolging bij terugkeer naar Iran?

6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer geen risico loopt als gevolg van zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging en dat van hem terughoudendheid mag worden verwacht in geval van terugkeer. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022 waarin is geoordeeld dat verweerder bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, eiser na terugkeer naar Iran uiting wil geven aan zijn afvalligheid. Verweerder mag niet van eiser verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geacht afvalligheid in Iran. Eiser verwijst verder naar het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 (het ambtsbericht), waaruit volgt dat het risico dat iemand bij aankomst in Iran wordt ondervraagd groot is als diegene lang in het buitenland heeft verbleven. En hij verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 10 juni 2025, waaruit volgt dat verweerder van een Iraanse onderdaan die afvallig is, niet mag verwachten dat hij bij terugkeer doet alsof hij moslim is om problemen te voorkomen. Het is onjuist dat eiser zijn afvalligheid in het verleden niet heeft geuit, gelet op de strafrechtelijke sanctie wegens verkoop van alcohol en zijn uitlatingen op Instagram, Facebook en X waarover hij heeft verklaard in het nader gehoor. Verder is hij in Iran alleen terughoudend geweest om problemen te voorkomen, maar dit betekent niet dat hetzelfde daarom opnieuw van hem kan worden verwacht bij terugkeer. Verweerder had moeten onderzoeken op welke wijze eiser na terugkeer in Iran uiting wil geven aan zijn afvalligheid, in plaats van alleen in aanmerking te nemen hoe hij zich in het verleden geuit heeft. Tot slot voert eiser aan dat zijn politieke en religieuze overtuiging met elkaar samenhangen. Eiser bezoekt in Nederland actief bijeenkomsten van het Humanistisch Verbond. Hij heeft ter onderbouwing hiervan een verklaring van een begeleider van het Humanistisch Verbond overgelegd.

Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, dat de uiting van eisers afvalligheid en atheïstische overtuiging geen wezenlijk onderdeel uitmaakt van eisers religieuze identiteit, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank is daarbij allereerst van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging in Iran niet heeft geuit. Volgens de rechtbank is het café dat eiser exploiteerde in Iran ook een uiting van zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser heeft verklaard dat het café ‘geen normaal café was’ en ‘diende als plek voor gedachtewisseling op intellectuele basis’ en er ook ‘muziek- en filmavonden’ waren. Verweerder heeft dit ook geloofwaardig geacht. Dat vanwege de aard van de activiteiten en het tijdstip ervan - namelijk ook tijdens religieuze ceremonies - eiser problemen met de religieuze groepen kreeg, toont aan dat de exploitatie van het café werd beschouwd als uiting van eisers afvalligheid en atheïstische overtuiging.

De rechtbank is ook van oordeel verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging in Nederland niet actief uitdraagt. Uit de overgelegde brief van het Humanistisch Verbond volgt dat eiser actief deelneemt aan gesprekken over verschillende levensovertuigingen. In de brief wordt eiser omschreven als een ‘vrijdenker en humanist qua ideeën, in houding en gedrag’. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser ook in Nederland actief zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging uit.

De rechtbank concludeert dat eiser zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging nu actief uitdraagt en ook in het verleden actief heeft uitgedragen. Gelet hierop kan het standpunt van verweerder dat bij terugkeer terughoudendheid van eiser verwacht mag worden bij de uiting van zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging, omdat dit geen wezenlijk onderdeel uitmaakt van zijn religieuze identiteit, geen stand houden. Zo’n verloochening van zijn levenswijze kan verweerder niet van eiser vergen. Verweerder heeft zich ook nog op het standpunt gesteld dat de samenleving in Iran in toenemende mate seculariseert, en eiser daarom geen gegronde vrees voor vervolging heeft als hij een seculiere levensstijl gaat aanhouden bij terugkeer naar Iran. Eiser ondervond echter wel problemen toen hij zijn leven op atheïstische wijze vorm gaf, bijvoorbeeld door de exploitatie van zijn café, en deze problemen heeft verweerder grotendeels geloofwaardig geacht. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer voor de Iraanse autoriteiten, als die hem ondervragen op het vliegveld. Met eisers vrees voor de Iraanse autoriteiten houdt deze stelling van verweerder evenmin rekening.

De rechtbank concludeert dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser door zijn afvalligheid en atheïstische overtuiging geen risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Iran. De beroepsgrond slaagt.

Loopt eiser door zijn politieke activiteiten en overtuiging een risico op vervolging bij terugkeer naar Iran?

7. Eiser voert aan dat hij gedocumenteerd bewijs heeft aangeleverd van zijn uitgebreide en continue politieke activiteiten vanaf zijn jeugd tot nu, waaronder deelname aan protesten in Iran, online activisme om te informeren en informatie te verspreiden en deelname aan protestbijeenkomsten in Nederland. Veel van de activiteiten zijn online te checken of zichtbaar via de sociale media van eiser. Ook zijn ze aangeleverd bij de zienswijze. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan. Verweerder stelt dan ook ten onrechte dat eisers activiteiten beperkt van aard en omvang zouden zijn, waardoor niet aannemelijk zou zijn dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zouden zijn geraakt van deze activiteiten. Op grond van zijn activiteiten en zijn politieke overtuiging kwalificeert eiser zich als vluchteling. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) dat het begrip politieke overtuiging ruim moet worden uitgelegd en dat het van belang is om vast te stellen op welke wijze de Iraanse autoriteiten het handelen van eiser opvatten. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van 13 januari 2023.

Verweerder heeft hierbij onvoldoende de specifieke en persoonlijke situatie en de meer algemene context van Iran betrokken. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en naar het arrest van het Hof van 21 september 2023. Verweerder heeft immers geloofwaardig geacht dat eiser Koerdisch is, dat hij meermaals gedemonstreerd heeft, dat hij op sociale media kritisch is op het regime en dat hij zichtbaar is op foto’s en in video’s van diverse demonstraties. Eiser verwijst ook nog naar een passage van de EUAA Richtlijn over Iran van januari 2025 en naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 mei 2025. Verder voert eiser aan dat het een feit van algemene bekendheid dat het Iraanse regime politieke tegenstanders in het buitenland monitort. Dit geldt wat hem betreft ook en vooral voor de demonstratie voor de Israëlische ambassade, waarvan een video-opname is gedeeld op het grootste Farsi-talige nieuwsmedium. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan nog naar een rapport van het Britse Home Office van april 2025. Dat eiser in het verleden geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging is geen valide argument voor de stelling dat hij bij terugkeer geen risico loopt. Verweerder lijkt ten onrechte terughoudendheid te verwachten van eiser teneinde problemen te

voorkomen. Dit is gelet op het arrest van het Hof van 13 januari 2023, en bezien tegen de achtergrond van Iran en de persoonlijke situatie van eiser onjuist en onredelijk. Eiser heeft ook nog een e-mail van 19 oktober 2025 van [naam], organisator van demonstraties tegen het regime in Iran, overgelegd.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt dat eisers politieke activiteiten en overtuiging onvoldoende zijn om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Eisers politieke activiteiten zijn volgens verweerder beperkt van aard en omvang. Eiser heeft maar enkele keren gedemonstreerd sinds zijn verblijf in Nederland. Het is volgens verweerder niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt, of zullen raken, van eisers gestelde politieke activiteiten. Dat eiser in het verleden over zijn deelname aan demonstraties berichten op sociale media heeft geplaatst maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat de Iraanse autoriteiten die hebben gezien. Verweerder betrekt hierbij dat eiser geen groot bereik heeft op sociale media en hij naar aanleiding hiervan ook geen bedreigingen heeft ontvangen of andere aanwijzingen heeft gegeven waaruit zou blijken dat de autoriteiten hiervan kennis hebben genomen. Dat eiser voor de Iraanse ambassade heeft geprotesteerd maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat de demonstratie daadwerkelijk zichtbaar was voor de ambassade, of dat hij daar door medewerkers is herkend. Verweerder heeft er verder nog op gewezen dat uit het ambtsbericht wel volgt dat er aanwijzingen zijn dat Iran politieke activisten in het buitenland monitort, maar dat dat zich onder meer uit in de omstandigheid dat deze personen bedreigingen ontvangen via de telefoon, e-mail en/of de sociale media. Dat is bij eiser niet het geval. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn deelname aan demonstraties in Nederland.

Ten aanzien van eisers politieke overtuiging stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser heeft verklaard dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties in Iran, maar dat hij geen problemen heeft ondervonden met de Iraanse autoriteiten naar aanleiding hiervan. Verweerder betrekt hierbij dat eiser Iran legaal heeft kunnen verlaten en in 2023 ook legaal en zonder problemen is teruggekeerd. Verder is volgens verweerder geen sprake van een sterk ontwikkelde politieke overtuiging. Er is niet gebleken dat eiser op andere manieren actief zijn mening naar buiten brengt. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij op sociale media zijn mening uit. Eiser heeft slechts in beperkte mate gebruik gemaakt van de ruimte in Nederland om in relatieve veiligheid zijn opvattingen kenbaar te maken. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij bij terugkeer naar Iran voornemens is om (opnieuw) te demonstreren of op andere wijze zijn politieke mening actief te uiten. Het geven van uiting aan politieke opvattingen is volgens verweerder geen essentieel onderdeel van eisers leven, noch van wezenlijk belang voor zijn identiteit. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Iran ook geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn politieke overtuiging.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn deelname aan demonstraties in Nederland. De rechtbank kan de stelling van verweerder, dat eisers politieke activiteiten maar beperkt in omvang zijn, niet volgen. Ten tijde van het bestreden besluit nam verweerder hierbij als uitgangspunt dat eiser maar een enkele keer had deelgenomen aan een demonstratie. Ter zitting heeft verweerder erkend dat uit de nieuwe overgelegde stukken volgt dat eiser vier keer heeft deelgenomen aan een demonstratie, maar verklaard dat dit het standpunt uit het bestreden besluit niet veranderd, nu er niet zoveel verschil zit tussen één demonstratie of vier demonstraties. De rechtbank vindt deze uitleg niet overtuigend. De rechtbank volgt verweerder verder wel in zijn standpunt dat eiser met alleen zijn berichten op sociale media over zijn deelname aan demonstraties in Nederland nog niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser geen groot bereik heeft op sociale media en dat er geen aanwijzingen zijn waaruit volgt dat de Iraanse autoriteiten hiervan kennis hebben genomen. Tegelijkertijd is het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat de demonstratie voor de Iraanse ambassade zichtbaar was vanuit de Iraanse ambassade of dat eiser door medewerkers van de ambassade is herkend en daarom in beeld is bij de Iraanse autoriteiten, weer niet goed te volgen. Allereerst is het onwaarschijnlijk dat een demonstratie voor de ambassade niet zichtbaar is geweest vanuit die ambassade. Daarbij volgt uit het ambtsbericht, waar verweerder zelf ook op wijst, dat er aanwijzingen zijn dat Iran politieke activisten in het buitenland monitort. In het ambtsbericht staat ook dat die aanwijzingen voor monitoring door de Iraanse autoriteiten onder meer volgen uit de omstandigheid dat Iraanse politieke activisten bedreigingen ontvangen via de telefoon, e-mail en/of de sociale media. De rechtbank kan hieruit echter niet opmaken dat het niet ontvangen van bedreigingen betekent dat men niet in beeld is bij de Iraanse autoriteiten. Dit, samen met de omstandigheid dat eiser terug zou moeten keren naar Iran zonder paspoort, met een laissez-passer, na een jarenlang verblijf in het buitenland, maakt volgens de rechtbank dat verweerder toch niet goed heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn deelname aan demonstraties in Nederland.

De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Iran ook geen reëel risico loopt op vervolging op grond van zijn politieke overtuiging. De rechtbank kan niet volgen dat eiser geen sterk ontwikkelde politieke overtuiging zou hebben. Volgens de rechtbank is afdoende gebleken dat eiser actief zijn mening naar buiten brengt. Uit de door eiser overgelegde stukken haalt de rechtbank dat eiser zich via sociale media uit over zijn politieke overtuiging. Dat hij weinig bereik heeft op sociale media, doet hier niet aan af. Gelet hierop en op de deelname aan vier demonstraties in Nederland kan de rechtbank verweerders stelling dat eiser maar in beperkte mate gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in Nederland zijn opvattingen kenbaar te maken, dan ook niet volgen. Tot slot kan de rechtbank verweerder ook niet volgen in zijn standpunt dat het geven van uiting aan zijn politieke opvattingen geen essentieel onderdeel is van eisers leven, noch van wezenlijk belang is voor zijn identiteit. Volgens de rechtbank kan eisers uiting van zijn politieke overtuiging daarbij niet los worden gezien van zijn atheïstische overtuiging en afvalligheid, en de exploitatie van het café. Ook dat zijn uitingen van maatschappelijke opvattingen die de Iraanse autoriteiten ongewenst vinden. Aldus bezien geeft eiser al lang uiting aan zijn politieke overtuiging en kan het standpunt dat het uiten van zijn politieke opvattingen geen essentieel onderdeel is van zijn leven en niet van wezenlijk belang is voor zijn identiteit, dan ook geen standhouden.

De rechtbank concludeert dat verweerder zich niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers politieke activiteiten en overtuiging onvoldoende zijn om een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran aan te nemen. De beroepsgrond slaagt.

Samenhang van de asielmotieven

8. De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder, zoals hiervoor in 7.4 ook al overwogen, eisers asielmotieven ten onrechte niet in onderlinge samenhang heeft bezien. Volgens de rechtbank zijn eisers afvalligheid en atheïsme, zijn politieke overtuiging en activiteiten en zijn problemen met de religieuze groepen samenhangende uitingen van een levenswijze die – simpel gezegd – de Iraanse autoriteiten ongewenst achten. De samenhang volgt uit de omstandigheid dat eisers activiteiten en overtuigingen alle niet passen in de strenge islamitische regels die de Iraanse autoriteiten hanteren. Nu verweerder aan deze samenhang tussen eisers levens- en politieke overtuigingen en zijn maatschappelijke activiteiten geen kenbare aandacht heeft besteed, ontbeert het bestreden besluit ook daarom een deugdelijke motivering.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag, gelet op het voorgaande, niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond zoals hij dat heeft gedaan. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit op meerdere punten niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder opnieuw op eisers asielaanvraag moet beslissen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.

Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 oktober 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Kraefft

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?