ECLI:NL:RBDHA:2026:14180

ECLI:NL:RBDHA:2026:14180

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL25.12240
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Aanvraag verblijfsdocument EU/EER – gestelde duurzame relatie met Unieburger – onvoldoende aangetoond – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.12240

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),

en

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep ter zitting behandeld op 7 mei 2026 in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser wil verblijven bij zijn gestelde partner [persoon] (referente), die de Litouwse nationaliteit heeft. Eiser heeft op 7 maart 2024 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser bij besluit van 1 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat eiser en referente beiden zes maanden feitelijk hebt samengewoond en/of gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze conclusie gehandhaafd en het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

3. Eiser stelt in beroep dat op verweerder een onderzoeksplicht rust, gelet op artikel 3.29 van het Vb. In het bestreden besluit overweegt verweerder dat het aan eiser is om de nodige bewijsstukken en informatie te verstrekken en dat het voor zijn rekening en risico komt dat hij onvoldoende stukken heeft overgelegd om een duurzame relatie met referente aan te kunnen tonen. Verweerder miskent hiermee de onderzoeksplicht. Hoewel het aan eiser is om zijn aanvraag te staven door middel van gegevens en stukken, ontslaat dit verweerder niet van het uitvoeren van een nader onderzoek. De bewijslast is dan ook ten onrechte ten volle bij eiser gelegd.

Wat betreft de door eiser overgelegde foto's, WhatsApp berichten, de bromfietsverzekering en tenaamstellingscode, het bezoek aan de Beekse Bergen en de bestellingen bij de Bijenkorf stelt eiser, kort weergegeven, dat deze wellicht op zichzelf niet een duurzame relatie kunnen aantonen, maar wel in samenhang met alle andere bewijsmaterialen. Eiser stelt verder dat verklaringen van bekenden wel degelijk bijdragen aan het bewijs van het bestaan van een duurzame relatie. Zij kunnen immers uit eigen waarneming een verklaring afleggen. Dergelijke verklaringen kunnen dienen als bewijs, in artikel 3.29, derde lid, onder d, van het Vb wordt aangegeven dat nader onderzoek over het bestaan van een duurzame relatie kan worden gedaan door het horen van meerderjarige personen die in relatie staan met de hoofdpersoon of de vreemdeling. Eiser beschikt niet over de stukken waarmee hij de feitelijke samenwoning zou kunnen aantonen. De meeste spullen stonden nog op het adres waarin hij stond ingeschreven in de BRP. Verweerder heeft hem niet gevraagd om dergelijke bewijsstukken, terwijl dit ingevolge artikel 3.29, derde lid, onder a, van het Vb wel een mogelijkheid is in het kader van nader onderzoek.

Eiser stelt dat verweerder een hoorzitting niet achterwege had mogen laten. Hij wijst daarbij op de taak van verweerder om onderzoek te doen. Eiser heeft op zijn minst een begin van bewijs geleverd op basis waarvan nader onderzoek vereist was. Op basis van de aanwezige informatie kon niet zonder meer worden geconcludeerd dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder had eiser en referente kunnen uitnodigen voor een hoorzitting om vragen te stellen om de duurzame relatie te verifiëren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank benadrukt dat zij het bestreden besluit ex tunc dient te toetsen. Dit betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden, als ook de bewijsstukken, zoals die zich op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen voordeden.

5. In richtlijn 2004/38/EG staan de regels voor het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voor EU-burgers en hun familieleden. Deze richtlijn legt de voorwaarden vast waaronder EU-burgers en hun familieleden zich binnen de EU mogen verplaatsen en verblijven.

6. Een ongehuwde partner van een Unieburger kan een aanvraag voor afgifte van een EU/EER document doen als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. Verweerder gaat ervan uit dat de ongehuwde partner en de Unieburger een duurzame relatie hebben, als zij voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij in ieder geval gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. Bij het indienen van de aanvraag legt de ongehuwde partner in ieder geval een relatieverklaring over. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval kan een relatie als duurzaam worden aangemerkt als de Unieburger en de ongehuwde partner nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond en zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. Verweerder kan daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aan kunnen tonen dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie: de duur van de gezamenlijke huishouding, het dragen van zorg voor elkaar, het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen, het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden, samenwoning in het verleden en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiser en referente. Er rust weliswaar ook een plicht op verweerder, maar het blijft aan eiser om aan te tonen dat hij en referente die gestelde relatie onderhouden. Verweerder mag daarbij ondersteunend bewijs verwachten. In de aanvraag wordt al genoemd om wat voor bewijs dit dan gaat. Ook is in deze zaak een zogeheten herstelverzuimbrief gestuurd waarin andere bewijsmiddelen worden genoemd. Ook op pagina 6 van het bestreden besluit maakt verweerder concreet met welke stukken de feitelijke samenwoning kan worden onderbouwd. Daarbij wordt eiser bijgestaan door professionele rechtsbijstand met kennis omtrent de benodigde stukken. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat hem niet is verzocht om bewijs omtrent samenwoning. Ook kan niet worden ingezien dat eiser geen stukken kan overleggen die de daadwerkelijke samenwoning onderbouwen. Verweerder was ook niet gehouden nader onderzoek te doen.

8. De stukken die wel door eiser zijn ingediend heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende gevonden voor het aannemen van een duurzame relatie. Hoewel foto’s per definitie momentopnames zijn, neemt dat niet weg dat eiser relatief weinig foto’s heeft overgelegd en deze foto’s ook weinig zeggen over de aard van de relatie. Los van het feit dat de ingediende WhatsApp-berichten zien op een periode korter dan zes maanden, blijkt hieruit ook niet van een gezamenlijk huishouden. Zo blijkt uit de berichten van 24 en 25 juli 2024 dat eiser naar de woning van referente gaat om haar kat te verzorgen, maar daarna weer weggaat. Verder blijkt uit de berichten geenszins van gezamenlijke uitgaven ten behoeve van de samenwoning, zoals huurkosten of boodschappen. Eiser laat verder met het bezoek aan de Beekse Bergen en de bestellingen van de Bijenkorf weliswaar zien dat sprake is van enig contact en een band tussen hem en referente, maar dit is onvoldoende om een conclusie te (kunnen) trekken over de aard van de relatie. Zo is ook het afsluiten van de bromfietsverzekering meer praktisch van aard. Dit maakt dat de door eiser overgelegde stukken zowel op zichzelf staand als in onderlinge samenhang onvoldoende zijn om te kunnen spreken van het onderhouden van een duurzame relatie voor de periode van tenminste zes maanden.

9. De verklaringen van de buren en broer van referente kunnen niet gelden als objectief, verifieerbaar bewijs, zoals verweerder terecht heeft gesteld. Deze verklaringen zijn niet afkomstig uit objectieve bron en betreffen slechts geschreven verklaringen zonder enige vorm van objectief ondersteunend bewijs, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis toekomt.

10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat van horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Op basis van het door eiser ingediende bezwaarschrift kon verweerder daarom in redelijkheid concluderen dat op voorhand duidelijk was dat eiser nog altijd niet aan de voorwaarden voldeed van de gevraagde verblijfsvergunning. Een gehoor zou daarom niet tot een ander besluit hebben geleid. Verweerder heeft dan ook terecht bepaald dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, zodat van horen mocht worden afgezien.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand