ECLI:NL:RBDHA:2026:14182

ECLI:NL:RBDHA:2026:14182

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL26.5409
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Syrië – 15c – geen individuele omstandigheden – humanitaire omstandigheden – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.5409

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),

en

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Syrië op verschillende plaatsen heeft gewoond waar het Vrije Syrische Leger aanwezig was. Toen het voormalige Assad-regime de plaats bereikte waar eiser op dat moment verbleef, is hij met zijn familie naar Turkije gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië vanwege de algemene veiligheidssituatie. Volgens eiser is de situatie in Syrië nog steeds instabiel, onveilig en chaotisch.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het geldende landenbeleid voor Syrië, inclusief Aleppo, volgt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Uit de beschikbare landeninformatie volgt weliswaar dat sprake is van een instabiele veiligheidssituatie en geweldsincidenten, maar niet dat iedere burger enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De door eiser aangevoerde humanitaire omstandigheden geven daarnaast geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn of artikel 3 van het EVRM.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en in het bijzonder in Aleppo. Uit het AAB 2026 en de door eiser overgelegde informatie van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 1 mei 2026 volgt dat nog steeds sprake is van een zeer instabiele en onveilige situatie, waarbij zich aanhoudend geweldsincidenten, burgerslachtoffers, gevechten tussen verschillende gewapende groeperingen en incidenten met ontplofbare oorlogsresten voordoen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks deze informatie nog steeds wordt uitgegaan van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, van 11 december 2025, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 en zittingsplaats Roermond van 29 december 2025. Verder had verweerder afzonderlijk moeten beoordelen of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 21 april 2026 en 23 februari 2026.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade kan bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Het Hof heeft in het arrest van 9 november 2023 uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties kent. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het betrokken gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn individuele omstandigheden eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de veiligheidssituatie in Syrië of Aleppo te licht heeft ingeschat. Verweerder is terecht uitgegaan van de informatie die volgt uit het AAB 2025 en AAB 2026. De door eiser overgelegde informatie van VWN van 1 mei 2026 geeft onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat niet langer van een relatief lager niveau van willekeurig geweld mag worden uitgegaan. Daarbij is van belang dat ook uit de informatie van VWN volgt dat de veiligheidssituatie in het gouvernement Aleppo is verbeterd en het aantal veiligheidsincidenten gestaag afneemt. Dat begin 2026 opnieuw gevechten hebben plaatsgevonden in Aleppo, doet daaraan niet af. Uit het AAB 2026 volgt weliswaar dat zich nog steeds geweldsincidenten en gevechten voordoen, maar ook dat in vergelijking met de voorgaande verslagperiode een daling te zien is van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verweerder heeft hierin terecht geen aanleiding gezien om niet langer uit te gaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië of Aleppo.

6. Ook wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de humanitaire omstandigheden in Syrië. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een situatie waarin de algemene humanitaire omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Wanneer sprake is van humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van doelbewust handelen of nalaten van partijen bij een conflict, moet verweerder beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften.

7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden in Syrië voornamelijk het gevolg zijn van de burgeroorlog die inmiddels ten einde is gekomen en niet van het huidige gewapende conflict. Daarmee zijn deze omstandigheden slechts in beperkte mate relevant bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraken, heeft verweerder in deze zaak voldoende gemotiveerd dat de humanitaire omstandigheden in Syrië niet in overwegende mate samenhangen met het huidige gewapende conflict. Daarbij is van belang dat uit de algemene ambtsberichten volgt dat actief wordt gewerkt aan het weghalen van achtergebleven ontplofbare munitie en mijnen.

8. Gelet op het voorgaande is het aan eiser om individuele omstandigheden naar voren te brengen die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld en aannemelijk te maken dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij een verhoogd risico loopt. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser tijdens het nader gehoor, op de vraag of sprake is van persoonlijke omstandigheden waardoor hij meer risico loopt dan andere Syrische burgers om bijvoorbeeld gewond te raken of gedood te worden door geweld, heeft verklaard niet te verschillen van anderen.

9. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan 28 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand