RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23469
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra) en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
De minister heeft op 22 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, aanhef, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 28 april 2026 een voortgangsrapportage overlegd. Eiser heeft hierop gereageerd bij schrijven van 29 april 2026 en van 15 mei 2026.
De minister heeft op 7 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat de meerdere gelegde Dublinclaims niet hebben geleid tot een akkoord.
Eiser handhaaft het beroep in het kader van een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegerekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (NL26.16031) volgt dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek in die zaak, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (7 mei 2026).
Voortvarendheid
4. Eiser heeft in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat de voortduring van de maatregel van bewaring niet rechtmatig is. Hij voert hierbij aan dat de minister enerzijds Zweden gevraagd heeft om eiser op te nemen. Anderzijds is Zwitserland ook door de minister benaderd op 29 april 2026 om eiser op te nemen. Volgens eiser ontbreken hierbij duidelijke aanknopingspunten in het dossier waarom Zwitserland door de minister is benaderd in plaats van Zweden. Dit alles zorgt volgens eiser ervoor dat de minister niet voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser wordt gewerkt en dat overdracht op korte termijn niet aannemelijk is. Eiser wijst daarbij ook op de lange duur van de maatregel van bewaring.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de voortgangsrapportage en de brief van de minister aan de rechtbank van 15 mei 2026 blijkt onder meer dat de minister op 27 maart 2026 een claimverzoek heeft ingediend bij Duitsland. Duitsland is op 7 april 2026 niet akkoord gegaan met deze claim. Vervolgens heeft de minister op 8 april 2026 een claim gelegd bij Zweden. Op 10 april 2026 is Zweden niet akkoord gegaan met deze claim. De minister heeft vervolgens op dezelfde dag een nieuwe claim gelegd bij Oostenrijk, welk verzoek op 14 april 2026 is afgewezen. De minister heeft ten slotte op 29 april 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en een verzoek tot herziening van het afgewezen claimverzoek gestuurd naar de, zo begrijpt de rechtbank, Zweedse autoriteiten. Dit verzoek is op 6 mei 2026 afgewezen, waarna de maatregel op 7 mei 2026 is opgeheven.
6. Op basis van de in het dossier beschikbare stukken is de rechtbank van oordeel dat de minister na ontvangst van de afwijzing van het claimverzoek aan Oostenrijk op 14 april 2026, onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser. De rechtbank stelt voorop dat de minister wel enige dagen moet worden gegeven om zich over de vraag of een verzoek om heroverweging opportuun is, te beraden, maar een periode van vijftien dagen waarin de minister geen overdrachtshandelingen heeft verricht, acht de rechtbank hiervoor te lang. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat in de periode tussen 14 april 2026 en 29 april 2026, andere overdrachtshandelingen hebben plaatsgevonden.
7. Dit betekent dat de minister met ingang van 15 april 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ten aanzien van de overdracht van eiser en dat de maatregel vanaf die datum tot en met de opheffing ervan op 7 mei 2026 onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van 22 maart 2026 is gegrond. Nu de bewaring van eiser al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven.
9. De rechtbank acht gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen voor de periode van 15 april 2026 tot en met 7 mei 2026. Dit komt neer op 23 dagen onrechtmatige
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende maatregel in een huis van bewaring: 23 x
€ 120,-. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 2.760,-.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift met een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.