ECLI:NL:RBDHA:2026:14204

ECLI:NL:RBDHA:2026:14204

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL26.24105
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring; vervolgberoep; ongegrond; Algerije; Kadzoev; duur van 18 maanden niet overschreden; terugkeerbesluit; zes maanden niet verstreken; geen verlengingsbesluit vereist; eerdere inbewaringstelling niet aannemelijk gemaakt; ambtshalve toetsing zicht op uitzetting en voortvarendheid

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en

Procesverloop

De minister heeft op 2 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 maart 2026 (in de zaken NL26.11918 en NL26.12030)

volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, dat er in de kern op neerkomt dat vanwege de totale duur van eisers inbewaringstelling en het ontbreken van een verlengingsbesluit de maatregel van bewaring met ingang van 17 maart 2026 onrechtmatig moet worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt.

5. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 23 maart 2026 (in de zaken NL26.11918 en NL26.12030), rechtsoverwegingen 10 en 11, waarin is geoordeeld dat de onderhavige maatregel is gebaseerd op een terugkeerbesluit van 2 maart 2026. Wat betreft eisers verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kadzoev van 30 november 2009 en artikelen van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, overweegt de rechtbank dat de huidige inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, de duur van 18 maanden niet heeft overschreden. Omdat evenmin sprake is van een duur van deze maatregel van zes maanden, was de minister niet gehouden om een verlengingsbesluit te nemen om deze maatregel rechtmatig te laten voortduren. De stelling van eiser dat hij eind jaren ’90 (1998/1999) voor langere tijd in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de systemen van verweerder niet eerder bekend is dan per 25 mei 2022 en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit standpunt onjuist is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. In het kader van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is overweegt zij dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat ten behoeve van eiser op 9 maart 2026 een laissez-passer is aangevraagd en dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt. Tevens heeft de minister op 2 april 2026 en 23 april 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 8 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onvoldoende voortvarend handelen in de uitzetprocedure van eiser. Gelet hierop en de inhoud van het dossier komt de rechtbank ook overigens ambtshalve toetsend tot het oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

12 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand