RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13250
geboren op [geboortedatum] 1975 in Syrië,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
Procesverloop
Eiser heeft op 5 oktober 2023 een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Het door eiser op 6 augustus 2025 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is door de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op 8 december 2025 gegrond verklaard, waarbij verweerder onder verbeurte van een dwangsom is opgedragen om binnen twee weken een besluit te nemen (ECLI:NL:RBOBR:2025:7981, niet gepubliceerd).
Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond en bepaald dat aan eiser geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek. In het besluit is tevens vermeld dat eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt geregistreerd. In het besluit is tevens medegedeeld dat aan eiser een rechterlijke dwangsom van € 7.100, wordt vergoed.
Eiser heeft op 10 maart 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 17 april 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser zelfstandig uit Nederland is vertrokken.
Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft eisers gemachtigde op dit bericht gereageerd.
De rechtbank heeft partijen op 21 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 28 mei 2026 om 14:00 uur gemotiveerd aan te geven of zij een onderzoek ter zitting wensen. De rechtbank heeft daarbij medegedeeld dat indien de rechtbank binnen deze termijn geen reactie ontvangt, de rechtbank er van uitgaat dat partijen geen behandeling ter zitting wensen.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 21 mei 2026 bericht in te stemmen met een uitspraak zonder zitting.
Verweerder heeft niet gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 28 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft onder meer aan zijn asielaanvraag van 21 oktober 2023 ten grondslag gelegd dat hij in 2017 bedreigd werd door een man, omdat hij contact heeft gehad met de vrouw van deze man. Deze man en zijn zonen zijn werkzaam bij HTS, naar eiser vermoedt bekleedt de man een hoge positie bij die groepering. Eiser heeft verklaard te vrezen voor eerwraak. Daarnaast heeft eiser zich beroepen op de algemene situatie in Syrië.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Dat eiser in 2017 contact heeft gehad met de bedoelde vrouw en daarna door haar man is bedreigd, heeft verweerder geloofwaardig geacht. Maar dat eiser nu voor bedreiging door deze man te vrezen heeft, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor Syrië, en ook voor de provincie Ruraal Damascus, een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen en eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen waaruit volgt dat hij een verhoogd risico zou lopen om slachtoffer te worden van dit willekeurige geweld.
3. Eiser heeft het standpunt van verweerder op beide onderdelen gemotiveerd weersproken.
4. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 17 april 2026 verzocht om te beoordelen of nog sprake is van procesbelang bij het beroep, omdat eiser zelfstandig uit Nederland is vertrokken.
5. Eisers gemachtigde heeft in zijn reactie erkend dat de omstandigheid dat eiser vrijwillig is teruggekeerd naar Syrië, omdat de procedure te lang heeft geduurd en zijn gezin hem gevraagd heeft om terug te keren, relevant is voor het procesbelang. Dit maakt echter nog niet dat het besluit zorgvuldig dan wel tijdig genomen is. Nu eiser in samenwerking met de IND vrijwillig is teruggekeerd, moet het bestreden besluit door verweerder worden ingetrokken. Omdat sprake is van een niet tijdig, onzorgvuldig en onrechtmatig genomen besluit, moet verweerder worden veroordeeld in de proceskosten.
6. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
7. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder in de omstandigheid dat eiser naar Syrië is teruggekeerd voordat de rechtbank uitspraak doet op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, geen aanleiding hoeft te zien om het (terugkeer)besluit in te trekken. De rechtbank zal verweerder daartoe ook niet opdragen omdat hiervoor geen rechtsgrond bestaat. Dat het besluit niet tijdig is genomen is juist. Ook dit is geen reden om verweerder op te dragen het (terugkeer)besluit in te trekken omdat verweerder vanwege deze termijnoverschrijding een dwangsom heeft verbeurd en dit ook heeft erkend. In de bovengenoemde uitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, reeds een proceskostenveroordeling uitgesproken in verband met het instellen van een rechtsmiddel tegen ‘het niet tijdig beslissen’. De rechtbank ziet geen enkele reden om nogmaals een proceskostenveroordeling uit te spreken omdat het besluit niet tijdig is genomen.
8. De rechtbank overweegt voorts dat het aan eiser was toegestaan om de uitspraak op zijn beroep in Nederland af te wachten. Het terugkeerbesluit, dat de vaststelling van onrechtmatig verblijf en de oplegging van een terugkeerverplichting behelst, is dus opgeschort gedurende de onderhavige procedure. Eiser is evenwel ondanks dat hij een asielaanvraag heeft gedaan en geen terugkeerverplichting had, teruggekeerd naar Syrië. De rechtbank kwalificeert dit daarom als een ‘vrijwillige terugkeer’ in de letterlijke betekenis en dus anders dan het ‘uit eigen beweging binnen de daartoe bepaalde tijd vrijwillig uitvoering geven aan een terugkeerverplichting’.
9. Door hangende zijn asielprocedure terug te keren naar zijn land van herkomst, neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer om internationale bescherming verzoekt. Namens eiser is niet gesteld dat deze aanname niet gedaan kan worden. De rechtbank zal dan ook niet beoordelen of verweerder terecht heeft besloten om geen internationale beschermingsstatus en daarop gebaseerde verblijfsvergunning te verlenen. De beroepsgronden die tegen de afwijzing van de asielaanvraag zijn gericht zal de rechtbank daarom niet beoordelen. Het verzoek van gemachtigde van eiser om verweerder in de proceskosten te veroordelen omdat ‘sprake is van een onzorgvuldig en onrechtmatig genomen besluit’ is geen zelfstandige reden om, gelet op de vrijwillige terugkeer van eiser naar Syrië, te onderzoeken of de afwijzing van de asielaanvraag inderdaad ‘onzorgvuldig en onrechtmatig’ is. Een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van de asielaanvraag is vereist als eiser belang heeft bij een uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling is geen belang van eiser.
10. Dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van de afwijzing van zijn asielaanvraag, betekent niet dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Het bestreden besluit omvat immers een terugkeerbesluit en besluit tot SIS-signalering.
11. Eiser hoeft geen asielaanvraag in te dienen om beschermd te worden tegen refoulement. Eiser hoeft zijn asielaanvraag ook niet te handhaven om beschermd te worden tegen refoulement.
12. Verweerder is verplicht om bij de vaststelling van een terugkeerbesluit rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank is verplicht om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit.
13. Eiser heeft zich in zijn beroepsgronden die gericht zijn tegen het terugkeerbesluit onder verwijzing naar het arrest Ararat van 17 oktober 2024 op het standpunt gesteld dat het beginsel van non-refoulement onvoldoende is beoordeeld omdat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege ‘de algemene, onveilige, humanitaire en onhoudbare situatie in Syrië’. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen onvoldoende in acht zijn genomen.
14. De rechtbank overweegt dat de rechtmatigheidscontrole van een terugkeerbesluit er op ziet om te controleren of een terugkeerverplichting kan worden opgelegd. Of een terugkeerverplichting kan worden opgelegd is echter in de onderhavige procedure alleen relevant voor de vraag of de SIS-signalering van het terugkeerbesluit rechtmatig is. Eiser is immers al uit eigen beweging en zonder een juridische verplichting daartoe teruggekeerd naar het land dat als land van terugkeer in het terugkeerbesluit is vermeld.
15. De rechtbank beoordeelt daarom niet of het beginsel van non-refoulement aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg stond. Zoals eiser in zijn gronden terecht heeft opmerkt vereist dit immers een actuele beoordeling en die actuele beoordeling van de vraag of verweerder eiser mag verplichten om terug te keren naar Syrië is niet langer relevant. Dit geldt ook voor de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. Daargelaten dat eiser in het geheel niet heeft geconcretiseerd dat er sprake is van deze belangen, is het niet langer relevant om te beoordelen of deze belangen aan het opleggen van een terugkeerbesluit en dus terugkeerverplichting in de weg staan omdat eiser reeds is teruggekeerd naar Syrië. Indien eiser zou zijn teruggekeerd om uitvoering te geven aan zijn terugkeerverplichting terwijl deze verplichting niet is opgeschort, zou de rechtbank wellicht tot een andere beoordeling zijn gekomen. Het beroep voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit is dan ook ongegrond.
16. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het besluit tot signalering. De rechtbank overweegt dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak over de rechtmatigheid van het besluit om het terugkeerbesluit in het SIS te signaleren. Uit het bericht van eiser van 6 mei 2026 blijkt dat eiser is teruggekeerd naar Syrië omdat de procedure te lang heeft geduurd en omdat het gezin van eiser aan eiser heeft gevraagd om terug te keren naar Syrië. De rechtbank ziet in deze feiten geen aanleiding om na te gaan of bij het nemen van een besluit op grond van Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, en de rechterlijke controle hiervan ook moet worden beoordeeld of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan het besluit tot de signalering in de weg staan, zoals deze belangen uitdrukkelijk zijn opgenomen in punt 27 van deze Verordening. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat in artikel 6 van deze Verordening is geregeld dat de signalerende lidstaat onverwijld na ontvangst van een terugkeerbevestiging de signalering wist. Uit de door verweerder op 17 april 2026 overgelegde bijlage blijkt dat eiser zelfstandig is teruggekeerd met behulp van verweerder en de Kmar. In deze bijlage is vermeld “Wijziging status TKB-IRV”. De rechtbank gaat er van uit dat eiser de Unie vanuit Nederland heeft verlaten en Nederland als “signalerende lidstaat” de signalering onverwijld na vertrek van de vlucht heeft gewist en deze statuswijziging daarop ziet omdat de datum van vertrek tevens de datum van de “Wijziging status TKB-IRV” is. Dat het terugkeerbesluit na de vaststelling in het SIS is geregistreerd, is dus niet meer relevant omdat het terugkeerbesluit is uitgevoerd en de signalering is gewist.
17. Gelet op de bovenstaande inhoudelijke beoordeling die de rechtbank heeft verricht, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank stelt namelijk niet vast dat het besluit onzorgvuldig of onrechtmatig zou zijn genomen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 mei 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.