RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.F. Pols).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24890
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
De minister heeft op 22 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Belangenafweging
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.16441) volgt dat de maatregel
van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring in deze procedure slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er nog geen laissez-passer (lp) is afgegeven. Het is voor hem vanuit detentie niet mogelijk om identificerende documenten te verkrijgen. Gelet hierop is hij van mening dat zijn belang bij een invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het voortduren van de maatregel.
Zicht op uitzetting
5. Het zicht op uitzetting naar Algerije is in beginsel aanwezig. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat het onderzoek met betrekking tot afgifte van een lp bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt. De minister heeft op 2 april 2026 en 23 april 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten naar de stand van zaken. Dat dit onderzoek nog niet heeft geleid tot afgifte van een lp is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer de Algerijnse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daarnaast heeft de minister op 17 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Wat betreft eisers beroepsgrond dat hij niets kan doen vanuit detentie merkt de rechtbank op dat uit het verslag van het vertrekgesprek van 17 april 2026 blijkt dat eiser heeft gezegd dat hij de Algerijnse consul wenst te benaderen en dat hij telefoonnummers van zijn familie kan achterhalen. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat niet kan worden gesteld dat het voor eiser niet mogelijk is om vanuit detentie inspanningen te verrichten om aan identificerende documenten te komen. Op eiser rust bovendien de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser nadere concrete invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat voor eiser geen zicht op uitzetting is naar Algerije. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Evenmin is op dit moment sprake van een zodanig lange duur van de maatregel dat het belang van eiser bij een invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het voortduren van de maatregel. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.