RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25161
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
De minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
De rechtbank heeft op verzoek van eiser het onderzoek op 12 mei 2026 heropend en heeft eiser in de gelegenheid gesteld een nadere reactie op het verweerschrift in te dienen. Eiser heeft gereageerd en in zijn reactie verzocht om een reactietermijn nadat de minister het door eiser gevraagde presentatieverslag heeft ingebracht. De minister heeft hierop gereageerd en het presentatieverslag overgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank eiser nog kort in de gelegenheid gesteld om op het verslag te reageren. Hierop is binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangen van eiser. De rechtbank heeft daarom op 12 mei 2026 het onderzoek gesloten. Eiser heeft vervolgens wederom om heropening van het onderzoek gevraagd, maar de rechtbank ziet in hetgeen door eiser is gesteld geen aanleiding om het onderzoek nogmaals te heropenen. De laatste reactietermijn was weliswaar kort, maar het was op het eigen verzoek van de advocaat en het komt voor zijn rekening en risico dat hij het bericht in het systeem te laat heeft gezien.
Overwegingen
Belangenafweging
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.14606) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Aroja van 5 maart 20261 is het aan de minister om het overzicht aan maatregelen in de voortgangsgegevens op te nemen en te motiveren dat maximale bewaringsduur van 18 maanden niet is overtroffen. Dit overzicht ontbreekt. Ten aanzien van de presentatie op 24 april 2026 bij de Nigeriaanse autoriteiten stelt eiser dat er een tolk Engels-Arabisch aanwezig zou zijn geweest. Het feit dat hij niet verstaanbaar was is daarom niet aan eiser te wijten. Nu eisers nationaliteit niet is bevestigd door de Nigeriaanse autoriteiten is een identiteitsonderzoek of eiser voorkomt in paspoortregister overbodig. De minister heeft evenmin inzichtelijk gemaakt of het onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten nog loopt en niet valt in te zien waarom een tweede presentatie nodig is. Daarom ontbreekt het zicht op uitzetting naar Nigeria in dit geval. Verder is eiser van mening dat de minister na 24 april 2026 verwijtbaar stil heeft gezeten en hiermee onvoldoende voortvarend handelt. Gelet hierop stelt eiser zich op het standpunt dat zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder weegt dan het belang van de minister bij eiser inbewaringstelling. Een lichter middel is geïndiceerd, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Eerdere inbewaringstelling
6. Eisers stelling dat hij eerder in bewaring heeft gezeten volgt de rechtbank gelet op de toelichting van de minister in het verweerschrift van 11 mei 2026, niet. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de door minister verstrekte informatie over eisers inbewaringstelling.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
7. Het zicht op uitzetting naar Nigeria is in beginsel aanwezig. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat de minister op 2 april 2026 en 23 april 2026 heeft gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez
1. ECLI:EU:C:2026:148.
passer (lp). Vervolgens is eiser op 24 april 2026 in persoon gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Aan de omstandigheid dat het presentatieverslag zich niet in het dossier bevindt, verbindt de rechtbank geen consequenties, te meer dit verslag alsnog in het dossier is gevoegd. Uit het presentatieverslag blijkt dat eiser heeft geweigerd om Engels te spreken tijdens de presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser heeft enkel in de Arabische taal gesproken waarna de Nigeriaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat eisers nationaliteit niet kan worden vastgesteld. Dat er tolk Engels-Arabisch aanwezig zou zijn geweest, waardoor volgens eiser het communicatieprobleem is ontstaan, volgt de rechtbank niet gelet op de inhoud van het verslag en de reactie van de minister op dit punt. Nu uit de voortgangsgegevens blijkt dat eiser de Engelse taal machtig is, was een tolk ook niet nodig. Inmiddels heeft de minister een nieuwe afspraak gemaakt voor 12 juni 2026 zodat eiser opnieuw wordt gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Verder heeft de minister in zijn verweerschrift van 11 mei 2026 toegelicht dat er een aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden door de Immigration Liaison Officer in Nigeria en de uitkomst daarvan is dat eiser niet in het paspoortregister voorkomt. Dat eisers nationaliteit op basis van de beschikbare informatie niet is vastgesteld is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer de Nigeriaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank overweegt dat er, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat deze werkwijze niet tot het gewenste resultaat zal leiden. De rechtbank ziet in wat eiser nu heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister meer of andere handelingen had dienen te verrichten. Daarnaast heeft de minister op 30 maart 2026 en 8 mei 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit de verslagen van deze vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet wenst terug te keren naar Nigeria. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet gebleken is dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Nigeria in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
.
Lichter middel
8. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat hierover is overwogen in de uitspraak van 20 februari 2026 (NL26.7236), rechtsoverweging 6. Daaraan voegt de rechtbank toe dat er onverkort een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.