RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: H. Toonders).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25615
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
De minister heeft op 14 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 2 maart 2026 (in de zaak NL26.8399) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 23 februari 2026 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op het verweerschrift een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 mei 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Zicht op uitzetting van eiser en het voortvarendheidsvereiste
Belangenafweging
1. Over wat eiser in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.
Procesorde
2. De rechtbank merkt op dat zij betreurt dat eiser de communicatie door de minister in het verweerschrift als onnodig grievend ervaart maar overweegt dat niet is gebleken dan wel onderbouwd hoe eiser hierdoor in zijn (proces)belang is geschaad of dat geen sprake meer zou zijn van een eerlijk proces. In eisers reactie van 12 mei 2026 op het verweerschrift ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om hier vanwege strijd met een goede procesorde conclusies aan te verbinden.
3. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 2 maart 2026 (NL26.8399) al heeft overwogen is het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig. Op de zitting van 23 februari 2026 heeft de minister dit, zo blijkt ook uit de uitspraak van 2 maart 2026, met recente cijfers onderbouwd. In het geval van eiser blijkt uit de voortgangsgegevens dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister heeft op 12 maart 2026, 2 april 2026 en 23 april 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp) voor eiser. Dat dit onderzoek bijna drie maanden duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Algerijnse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister voor wat betreft het plannen van een presentatie en de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten, De minister kan hier in beperkte mate invloed op uitoefenen. Daarnaast heeft de minister op 20 maart 2026 en 21 april 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en om ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen te verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Zoals de minister in het verweerschrift terecht stelt is niet gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Nu de Algerijnse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, als eiser zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Algerije in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
4. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Het betreft hier de eerste keer dat eiser in bewaring is gesteld.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.