ECLI:NL:RBDHA:2026:14215

ECLI:NL:RBDHA:2026:14215

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer NL26.25524
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring; vervolgberoep; ongegrond; zitting; Afdeling ECLI:NL:RVS:2019:4460; voldoende kenbare verzwaarde belangenafweging in het vertrekgesprek; voornemen verlening; eiser heeft gebruik gemaakt van onjuiste identiteit; nationaliteit bevestigd onder andere identiteit; gronden maatregel van toepassing

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.25524

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , alias [naam], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

Procesverloop

De minister heeft op 8 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage (M120) overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op dit verweerschrift gereageerd en de minister heeft daarop een reactie gegeven.

De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Ambtshalve toetsing

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2003.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel

96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 april 2026 (in de zaak NL26.25524) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring op 5 november 2025 is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw en dat deze maatregel op 8 november 2025 is opgeheven, waarna eiser aansluitend op grond van artikel 59 eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. De periode voor een verzwaarde belangenafweging na zes maanden detentie vangt dus op 5 november 2025 aan en is geëindigd op 4 mei 2026. De minister heeft geen kenbare verzwaarde belangenafweging gemaakt. Eiser is van mening dat nu geen verzwaarde belangenafweging is gemaakt de maatregel van bewaring met ingang van 4 mei 2026 onrechtmatig is. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 januari 20191 en 24 december 20192. In deze uitspraken is onder andere overwogen dat de minister vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden als hier bedoeld een belangenafweging dient te maken en dat er een duidelijk onderscheid is tussen de toets die de minister dient te maken bij het nemen van een verlengingsbesluit en bij het uitvoeren van een verzwaarde belangenafweging. Tot slot voert eiser aan dat de minister in strijd handelt met het kenbaarheidsvereiste en de rechtszekerheidsbeginsel door de verzwaarde belangenafweging niet op te nemen in model M120, omdat dit de vereiste, dan wel gangbare locatie is voor de verzwaarde belangenafweging.

5. De minister stelt zich op het standpunt dat uit het voornemen van 24 april 2026 tot verlenging van de maatregel, waarin wordt verwezen naar het vertrekgesprek van 23 april 2026 en naar de toelichting in dat vertrekgesprek, volgt dat wél een verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Hierdoor is tijdig inzichtelijk gemaakt wat het belang van de minister is om de maatregel van bewaring voort te laten duren, afgezet tegen de belangen van eiser bij opheffing van de maatregel, en zowel eiser als de rechtbank zijn in staat deze verzwaarde belangenafweging te toetsen. De minister is niet verplicht om een verzwaarde belangenafweging in de M120 op te nemen, aldus de minister.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Niet in geschil is dat eiser op 4 mei 2026 zes maanden in detentie heeft gezeten en dat daarom vóór die datum een verzwaarde belangenafweging moet hebben plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt dat de minister op 24 april 2026 aan de gemachtigde van eiser heeft aangekondigd dat het voornemen bestond om de maatregel van bewaring op korte termijn met maximaal twaalf maanden te verlengen. Daarbij heeft de minister verwezen naar de inhoud van het verslag van het vertrekgesprek van 24 april 2026 (in het verweerschrift

1. ECLI:NL:RVS:2019:292

2 ECLI:NL:RVS:2019:4460

gecorrigeerd naar 23 april 2026) waarin aan eiser is meegedeeld dat het voornemen bestaat om de maatregel te verlengen en is opgesomd welke belangen de minister heeft om eiser langer in bewaring te houden. Hierbij heeft de minister onder meer benoemd dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek door zelf geen enkele actie te ondernemen aangaande de vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en daarmee samenhangend zijn terugkeer.

Bovendien is inmiddels gebleken dat eiser vanaf het moment van zijn inbewaringstelling gebruik heeft gemaakt van een onjuiste identiteit: op 18 april 2026 is bericht ontvangen van de Algerijnse vertegenwoordiging dat de identiteit en nationaliteit van eiser is bevestigd, maar dat eiser daar bekend is als [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1998. Tevens heeft de minister in het vertrekgesprek verwezen naar de gronden van de maatregel die nog altijd van toepassing zijn en dat het opleggen van een lichter middel niet aan de orde is aangezien eiser tot op dat moment niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek naar Algerije. De minister heeft ook meegewogen dat er geen indicatie is dat medische omstandigheden ertoe zouden kunnen leiden dat er sprake is van detentieongeschiktheid dan wel dat de opgelegde maatregel nadelige gevolgen voor de gezondheid van eiser heeft. Verder heeft de minister benoemd dat eiser zal worden ingepland voor een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten en dat er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestaat dat eiser op korte termijn wordt uitgezet naar Algerije.

8. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat in het vertrekgesprek van 23 april 2026, waarnaar in het voornemen tot verlenging van de maatregel is verwezen, vóórdat de termijn van zes maanden verstreek een kenbare verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Dat deze belangenafweging ook is gedaan in het kader van de verlenging van de maatregel geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat hier geen sprake is van een voldoende kenbare verzwaarde belangenafweging als hier bedoeld. De rechtbank verwijst naar de M120, waaruit bij het vermelde onder punt 10a naar haar oordeel ook blijkt dat die verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Het enkele feit dat deze belangenafweging niet ook woordelijk in de M120 is opgenomen, geeft de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat deze niet of onvoldoende kenbaar heeft plaatsgevonden. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat de minister eisers belangen onvoldoende zorgvuldig heeft afgewogen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

22 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand