ECLI:NL:RBDHA:2026:1424

ECLI:NL:RBDHA:2026:1424

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer C/09/684286 / HA ZA 25-361
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De rechtbank stelt de wijze van verdeling van de woning vast, rekening houdend met de over en weer gevorderde vergoedingen voor zover deze voor vergoeding in aanmerking komen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak- / rolnummer: C/09/684286 / HA ZA 25-361

Vonnis van 14 januari 2026

in de zaak van

[partij A] te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [partij A] ,

advocaat: mr. M.J. Boers,

tegen

[partij B] te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [partij B] ,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban.

1. Inleiding

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is beëindigd en partijen wonen sinds 1 mei 2020 niet meer samen, maar partijen zijn nog gezamenlijk eigenaar van het appartement dat zij eind 2019 hebben gekocht. [partij B] woont daar nog. Partijen zijn het niet met elkaar eens hoe (de overwaarde van) het appartement moet worden verdeeld. Met name discussiëren partijen over de vraag of [partij B] een gebruiksvergoeding moet betalen aan [partij A] (zoals [partij A] stelt) en of [partij A] moet bijdragen aan kosten voor het appartement die [partij B] heeft betaald (zoals [partij B] stelt). De rechtbank stelt in dit vonnis de wijze van verdeling van de woning vast, rekening houdend met de over en weer gevorderde vergoedingen voor zover deze voor vergoeding in aanmerking komen.

2. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 11 april 2025 met producties 1 tot en met 3;- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van [partij B] ;

- de conclusie van antwoord in reconventie van [partij A] .

Op 30 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [partij A] heeft toen zijn bericht van 19 september 2025 met producties 4 tot en met 12 in het geding gebracht. [partij B] heeft toen zijn bericht van 19 september 2025 met producties 1 tot en met 8 overgelegd.

3. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Op 3 december 2019 zijn zij gezamenlijk – ieder voor de onverdeelde helft – eigenaar geworden van een appartement aan [adres] (hierna: de woning). De koopprijs voor de woning bedroeg € 175.000,-. Partijen hebben een hypothecaire geldlening gesloten voor een bedrag van € 165.000,-.

In maart 2020 is de relatie tussen partijen geëindigd. Per 1 mei 2020 heeft [partij A] de woning verlaten. [partij B] is in de woning blijven wonen.

4. Het geschil

in conventie

[partij A] vordert in conventie – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de woning tegen een door [makelaar] te [plaats] te bepalen (actuele) waarde toedeelt aan [partij B] , onder de opschortende voorwaarden dat [partij B] binnen drie maanden na het in deze te wijzen vonnis:

de op deze woning rustende hypothecaire geldlening aflost, althans [partij A] doet ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;

[partij A] een bedrag wegens overbedeling doet toekomen, zijnde de helft van de overwaarde van de woning (waarde woning minus hypothecaire geldlening).

II. indien het [partij B] niet lukt om de onder I genoemde overname binnen drie maanden na het in deze te wijzen vonnis te realiseren, hem beveelt binnen vier maanden na het in deze te wijzen vonnis medewerking te verlenen om tot verkoop en levering van voornoemde woning te komen, waarbij:

A. partijen worden geboden [makelaar] te [plaats] de opdracht te verstrekken om de woning te koop te zetten en partijen te veroordelen zowel de opstartkosten van die makelaar als de (resterende) courtage en overige kosten bij helfte te dragen en, indien mogelijk, vanuit de verkoopopbrengst te voldoen;

B. partijen worden geboden om voornoemde makelaar een reële, marktconforme verkoopprijs en laatprijs te laten bepalen;

C. partijen worden veroordeeld om als opleverdatum uiterlijk zes maanden na het in deze te wijzen vonnis aan te houden;

D. partijen worden geboden om al het nodige te doen om het verkooptraject goed te laten verlopen en te zullen meewerken aan de afgifte van de sleutels aan de makelaar, het toestaan van bezichtigingen, het bezichtigingswaardig en schoon houden van de woning, de ondertekening van de verkoopovereenkomst, de ondertekening van de akte van levering en het verrichten van alle overige handelingen die voor de verkoop noodzakelijk zijn;

E. partijen worden veroordeeld vanuit de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening af te lossen;

F. wordt bepaald dat indien na de onder E genoemde aflossing en de onder A genoemde betaling:

- een positief bedrag resteert, ieder van hen gerechtigd is tot de helft van dit bedrag;

- een negatief bedrag resteert, partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig is voor dit bedrag.

III. [partij B] te veroordelen vanaf 1 mei 2020, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de datum waarop het aandeel van [partij A] in de woning aan [partij B] zal zijn geleverd dan wel de woning zal zijn geleverd aan een derde, tot betaling aan [partij A] van een gebruiksvergoeding:

- primair: gelijk aan de helft van de volgende som: (netto) hypotheeklasten plus bijdrage VvE plus erfpachtcanon plus premie opstalverzekering plus regionale belastingen;

- subsidiair: van 4% van de helft van de door de onder I genoemde makelaar bepaalde overwaarde;

- meer subsidiair: door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

in reconventie

[partij B] vordert in reconventie samengevat:

I. te bepalen dat [partij A] met terugwerkende kracht aan [partij B] de helft van alle vaste lasten van de woning dient te vergoeden vanaf het moment dat partijen samen eigenaar zijn geworden (3 december 2019), bestaande uit de hypotheekrente, VvE-bijdrage, erfpachtcanon, premie opstalverzekeringen en gemeentelijke- en waterschapsbelasting. De verrekening dient plaats te vinden op de dag van de overdracht van het aandeel van [partij A] aan [partij B] ;

II. te bepalen dat bij bepaling van de hoogte van het aandeel van [partij A] in de overwaarde van de woning rekening gehouden wordt met de kosten die in de conclusie van antwoord zijn genoemd, die tot september 2024 in totaal € 56.077,16 bedragen.

in conventie en in reconventie

Ieder van partijen vindt dat de vorderingen van de andere partij moeten worden afgewezen of dat de andere partij niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.

Verdeling woning en taxatie

Partijen hadden een affectieve relatie, maar waren niet met elkaar getrouwd en waren geen geregistreerd partner. Voor wat betreft de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:166 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

[partij A] vordert dat de rechter de wijze van verdeling van de woning bepaalt, omdat partijen zelf niet tot overeenstemming kunnen komen. Hij heeft daar recht op, omdat in beginsel niemand ongewild in een gemeenschap hoeft te blijven. [partij B] verzet zich hiertegen ook niet. De rechtbank zal dus de wijze van verdeling van de woning gelasten.

Partijen zijn het met elkaar eens dat [partij B] eerst de gelegenheid moet krijgen om de woning over te nemen. De rechtbank zal [partij B] die gelegenheid dus geven. Als [partij B] de woning niet wil of kan overnemen binnen een termijn van drie maanden, dan moet de woning worden verkocht aan een derde (zoals [partij A] vordert) zodat alsnog een einde komt aan de gemeenschap.

Beide partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. De (over)waarde van de woning komt – behoudens de hierna te bespreken vergoedingsrechten – aan beide partijen voor de helft toe. Partijen zijn het echter niet met elkaar eens van welke waarde moet worden uitgegaan. De woning is in september 2024 getaxeerd en [partij B] vindt dat die taxatie als leidend kan worden beschouwd. [partij A] vordert dat de woning opnieuw wordt getaxeerd.

De rechtbank oordeelt dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd. Als peilmoment voor de waardering van een gemeenschappelijke woning geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Niet blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat de in september 2024 uitgevoerde taxatie bindend de waarde van de woning tussen hen vaststelt. De woning moet dus opnieuw worden getaxeerd, omdat de eerdere taxatie is verouderd en niet aansluit bij het peilmoment voor de waardering. [partij A] vordert dat deze taxatie wordt uitgevoerd door [makelaar] te [plaats] . Tegen deze makelaar heeft [partij B] geen bezwaren geuit. De rechtbank zal dus bepalen dat [makelaar] te [plaats] de woning (opnieuw) zal taxeren.

Vergoedingsrechten – juridisch kader

[partij B] vordert in reconventie dat bij verdeling van de woning rekening wordt gehouden met de verrekening van bepaalde kosten die hij heeft betaald, maar volgens [partij B] deels door [partij A] moeten worden vergoed (vergoedingsrechten). Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen (informeel samenlevenden), niet wordt bepaald door (overeenkomstige toepassing van) de regels die in de titels 6 tot en met 8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen.

Aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moet worden beoordeeld of sprake is van vergoedingsrechten over en weer. Het ligt in de rede om eerst te onderzoeken of een overeenkomst bestaat die de vermogensrechtelijke aspecten tussen partijen regelt. Dat kan een schriftelijke of stilzwijgende overeenkomst zijn. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen gezegd dat zij geen samenlevingsovereenkomst hebben gesloten of andere expliciete afspraken hebben gemaakt over verdeling van de kosten.

Als geen overeenkomst bestaat, kan gekeken worden naar andere rechtsfiguren zoals onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) of hoofdelijkheid en regres (artikel 6:10 BW). Daarnaast geldt dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Een vergoedingsrecht kan in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.

Op grond van artikel 3:172 BW moeten partijen in beginsel in gelijke mate bijdragen tot uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschappelijke woning zijn verricht. Daarbij moet het gaan om handelingen verricht ten behoeve van onderhoud en instandhouding van die woning. Het door een deelgenoot aangaan of aflossen van een lening ter financiering van het gemeenschappelijke goed geldt niet als een zodanige handeling. Artikel 3:172 BW houdt ook niet in dat als de ene partner aan de financiering van de aankoop van de woning heeft bijgedragen voor een groter deel dan zijn aandeel in de woning, die partner jegens de ander een vergoedingsrecht heeft.

Omdat [partij B] in reconventie vordert dat aan hem vergoedingsrechten toekomen, is het aan [partij B] om te motiveren waarom hij daar recht op heeft (met inachtneming van bovenstaande juridische uitgangspunten). De rechtbank zal de door [partij B] gestelde vergoedingsrechten hierna bespreken en bepalen in hoeverre daarmee rekening wordt gehouden bij de verdeling. Daarnaast komt de door [partij A] gevorderde gebruiksvergoeding aan de orde.

Eigen inbreng [partij B] bij koop woning

[partij B] stelt dat hij € 19.054,90 heeft bijgedragen uit eigen geld bij de aankoop van de woning, welk geld hij van zijn oma had gekregen. [partij B] stelt dat [partij A] daar de helft van aan hem moet vergoeden. De rechtbank wijst dit af. Dat wordt hierna toegelicht.

De koopprijs voor de woning bedroeg € 175.000,- waarvan een deel van € 165.000,- werd gefinancierd door middel van een hypotheeklening. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat [partij B] € 19.054,90 heeft bijgedragen bij koop van de woning en dat dit bedrag van de oma van [partij B] afkomstig was. [partij B] heeft gezegd dat hij daarvan de overdrachtskosten bij levering van de woning heeft betaald (de ‘kosten koper’). Dat heeft [partij A] niet betwist. Vast staat ook dat partijen een bedrag van (ten minste) € 10.000,- hebben terugbetaald aan de oma van [partij B] , waarvoor partijen een separate lening hadden afgesloten bij ING (die later in dit vonnis wordt besproken). Dat bedrag van € 10.000,- was dus door partijen geleend van de oma van [partij B] , en niet door [partij B] betaald uit (van zijn oma verkregen) eigen middelen. Dan zou dus nog een bedrag aan eigen inleg door [partij B] van € 9.054,90 resteren, waarvan de overdrachtskosten zijn betaald.

Partijen hebben de woning gezamenlijk gekocht. Omdat [partij B] alle kosten bij aankoop heeft betaald, kan toen een regresvordering zijn ontstaat van [partij B] op [partij A] voor de helft van die kosten. Daarvan zou sprake zijn als partijen hoofdelijk aansprakelijk waren voor de kosten en de schuld ieder van hen voor de helft aanging (artikel 6:10 BW). In hoeverre sprake is van een regresvordering, kan in het midden blijven.

[partij A] doet namelijk een beroep op verjaring voor alle door [partij B] gevorderde kosten van voor 10 juni 2020. Dat is vijf jaar voor de datum van de conclusie van antwoord in reconventie (21 juli 2025), waarin [partij B] voor het eerst aanspraak heeft gemaakt op de vergoedingsrechten. De regresvordering zou zijn ontstaan op het moment van betaling van de overdrachtskosten op of omstreeks 3 december 2019. Deze regresvordering verjaart door verloop van vijf jaar (artikel 3:310 lid 1 BW). De eventuele regresvordering is dus verjaard voordat [partij B] daar aanspraak op heeft gemaakt bij conclusie van antwoord in reconventie. [partij B] heeft niet gesteld dat de verjaring is gestuit of dat om een andere reden geen beroep op verjaring kan worden gedaan.

De eventuele regresvordering van [partij B] voor betaling van de overdrachtskosten ontstaan bij aankoop van de woning, is dus verjaard. [partij B] kan in zoverre geen aanspraak maken op een vergoedingsrecht.

Aflossing hypotheekschuld

Partijen hebben voor de aankoop van de woning gezamenlijk een bedrag geleend van € 165.000,- (hierna: de hypotheekschuld). [partij B] stelt dat hij meer heeft afgelost van de hypotheekschuld dan [partij A] en vindt dat [partij A] de helft daarvan aan hem moet vergoeden.

Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de hypotheekschuld. Aangezien partijen ook ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning, en bij gebrek aan andere afspraken op dat punt, gaat de hypotheekschuld beide partijen voor de helft aan. [partij A] en [partij B] moeten dus allebei uiteindelijk € 82.500,- van de hypotheekschuld terugbetalen. Dat hebben ze allebei nog niet gedaan. Op grond van artikel 6:10 BW is dus geen regresvordering ontstaan, omdat geen van beide partijen meer heeft afgelost dan het gedeelte van de hypotheekschuld dat hem aangaat.

Vast staat dat [partij B] meer heeft afgelost dan [partij A] . Bij verdeling van de woning moet rekening worden gehouden met deze ongelijke aflossing, zodat [partij A] en [partij B] uiteindelijk hun eigen deel (ieder de helft) van de hypotheekschuld hebben afgelost. Verjaring, waar [partij A] een beroep op doet, speelt daarbij geen rol. Van een regresvordering (die kan verjaren) is namelijk geen sprake. Ook de redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval mee dat de ongelijke aflossing van de hypotheekschuld moet worden vergoed. Door aflossing van de hypotheekschuld wordt de overwaarde van de woning (bij verkoop of toedeling) hoger. Als de woning wordt verdeeld, deelt [partij A] voor de helft mee in de overwaarde die als gevolg van de aflossingen door [partij B] is ontstaan. [partij A] zal dus profiteren van de aflossing door [partij B] .

Beide partijen hebben rekeningafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij bedragen hebben betaald aan de hypotheekverstrekker in verband met de hypotheekschuld. De betaalde bedragen bestaan deels uit aflossing en deels uit betaling van rente. Niet duidelijk is welk deel van de betaling ziet op aflossing en welk deel op betaling van rente. De rechtbank kan dus niet vaststellen welke partij hoeveel heeft afgelost van zijn deel van de hypotheekschuld. Dat geldt ook voor aflossingen die nog gaan plaatsvinden tot levering van de woning.

De rechtbank zal dus bepalen dat bij verdeling van de woning rekening moet worden gehouden met het bedrag dat ieder van partijen, vanaf 3 december 2019 tot aan het moment van de levering van de woning aan [partij B] of een derde, heeft afgelost van het deel van de hypotheekschuld dat hem aangaat. Als [partij B] meer heeft afgelost van de hypotheekschuld dan [partij A] , dan komt aan [partij B] een vergoedingsrecht toe voor de helft van het bedrag dat hij meer heeft afgelost. Dit geldt alleen voor het deel van de betaling dat ziet op aflossingen van de hypotheekschuld, en niet op betaling van rente.

Aflossing lening bij ING met kenmerk [kenmerk]

Partijen zijn in het kader van de aankoop van de woning, naast de hypotheeklening, een andere lening aangegaan bij ING met kenmerk [kenmerk] . Deze lening is (onder meer) – zo begrijpt de rechtbank – gebruikt om aan de oma van [partij B] het bedrag terug te betalen dat partijen van haar hadden geleend bij aankoop van de woning. Partijen zijn het erover eens dat het een gezamenlijke schuld betrof en dat [partij B] het grootste deel van deze schuld heeft afgelost. Inmiddels is de volledige schuld inclusief rente afgelost. [partij B] stelt dat hij € 5.549,30 meer heeft afgelost van deze schuld dan [partij A] , en vindt dat aan hem een vergoedingsrecht toekomt voor de helft van dat bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is dat juist.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat omdat het ging om een gezamenlijke schuld aangegaan in het kader van de aankoop van de gezamenlijk woning, deze schuld ieder van partijen voor de helft aanging. Partijen hebben daarover niets anders gesteld. Uit de door partijen overgelegde rekeningafschriften blijkt dat [partij B] (ten minste) het door hem gestelde bedrag meer heeft afgelost dan [partij A] . Omdat [partij B] deze schuld voor een bedrag van € 2.774,65 meer heeft afgelost dan de schuld hem aangaat, heeft hij voor dat bedrag een regresvordering op [partij A] . Zoals gevorderd door [partij B] zal met dit vergoedingsrecht rekening worden gehouden bij verdeling van (de overwaarde van) de woning. De aflossingen hebben plaatsgevonden na 10 juni 2020, dus van verjaring is geen sprake.

Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding

[partij A] stelt dat [partij B] een gebruiksvergoeding aan hem moet betalen voor de periode dat [partij B] exclusief gebruik heeft gemaakt van de woning vanaf 1 mei 2020 tot de datum van levering. [partij B] stelt dat [partij A] de helft van de door [partij B] betaalde eigenaarslasten moet vergoeden. De rechtbank zal bepalen dat deze gebruiksvergoeding en vergoedingsrechten voor de eigenaarslasten met elkaar worden verrekend. Deze vergoedingen over en weer blijven dus buiten beschouwing bij verdeling van de woning. Dat wordt hierna toegelicht.

[partij B] heeft sinds 1 mei 2020 het exclusieve gebruik van de gezamenlijke woning en [partij A] heeft dus geen genot van zijn aandeel in die woning. Op grond artikel 3:169 BW heeft [partij A] in beginsel recht op een schadeloosstelling in de vorm van een door [partij B] te betalen gebruiksvergoeding. [partij B] voert aan dat de relatie op initiatief van [partij A] is beëindigd en [partij A] ook op eigen initiatief uit de woning is vertrokken. Bovendien had [partij A] nog lange tijd een eigen sleutel en stond hij nog een tijd ingeschreven op het adres van de woning, aldus [partij B] . Naar het oordeel van de rechtbank zijn dat geen omstandigheden die maken dat [partij A] geen aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding. Over het algemeen zal een van de (voormalige) partners de woning verlaten nadat de relatie is geëindigd, ongeacht op wiens initiatief dat is gebeurd. Vast staat dat [partij A] uit de woning is vertrokken en dat [partij B] daar is blijven wonen. Dat [partij A] nog enige tijd een sleutel had en op dat adres stond ingeschreven, betekent niet dat [partij A] de woning gebruikte. Hij woonde daar namelijk niet en hij moest ergens anders woonruimte zoeken.

[partij B] stelt dat hij alle eigenaarslasten heeft betaald, bestaande uit hypotheekrente, bijdragen aan de vereniging van eigenaars, erfpacht, premie opstalverzekering en gemeentelijke- en waterschapsbelasting en dat [partij A] de helft van die kosten aan hem moet vergoeden. Uit de door partijen overgelegde rekeningafschriften blijkt echter dat [partij A] ook een deel van deze lasten heeft betaald, ook na 1 mei 2020. De stelling van [partij B] dat hij alle kosten heeft betaald, is dus niet juist. Vast staat wel dat [partij B] het grootste gedeelte van deze lasten heeft betaald, met name na 2020. In beginsel komt aan [partij B] een vergoedingsrecht toe voor zover het eigenaarslasten betreffen en hij deze kosten daadwerkelijk heeft betaald. Deze eigenaarslasten zijn namelijk een gezamenlijke schuld van partijen als gezamenlijk eigenaren van de woning, die ieder van partijen voor de helft aangaat. Voor zover [partij B] deze schulden heeft voldaan en zal voldoen, heeft hij voor de helft daarvan in beginsel een regresvordering op [partij A] (artikel 6:10 lid 2 BW).

Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval redelijk dat de gebruiksvergoeding gelijk is aan de helft van de eigenaarslasten die [partij B] heeft betaald, zoals [partij A] primair vordert. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen (stilzwijgend) afspraken hebben gemaakt over de woning. Na het vertrek van [partij A] uit de woning waren partijen het erover eens dat [partij B] de gelegenheid zou krijgen om de woning over te nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] toegelicht dat [partij B] tijd nodig had om ‘financieel sterk te worden’, zodat hij de financiering kon overnemen. Vervolgens heeft [partij B] alle vaste lasten op zich genomen. Die situatie hebben partijen laten voortduren tot de start van deze procedure. Uit de stukken blijkt niet dat [partij B] in de tussentijd afspraken heeft willen maken over de vaste lasten en ook niet dat [partij A] aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding. Daaruit leidt de rechtbank af dat sprake was van een (stilzwijgende) afspraak die inhield dat [partij A] [partij B] in de gelegenheid stelde om in de woning te blijven wonen mits hij de vaste lasten zou betalen totdat hij de financiering kon overnemen, zonder dat daar van de zijde van [partij B] een gebruiksvergoeding tegenover zou staan.

Dit betekent dat partijen op het punt van de gebruiksvergoeding en de hiervoor bedoelde eigenaarslasten (hypotheekrente, bijdragen aan de vereniging van eigenaars, erfpacht, premie opstalverzekering en gemeentelijke- en waterschapsbelasting) niets van elkaar te vorderen hebben en dat deze vergoedingen bij verdeling van de woning buiten beschouwing zullen blijven.

Gebruikerslasten woning

[partij B] stelt dat bij verdeling van de woning rekening moet worden gehouden met de gebruikerslasten die hij heeft betaald, bestaande uit kosten voor stroom, gas, water en het gebruikersdeel van de gemeentelijke- en waterschapsbelasting.

[partij B] heeft niet toegelicht op grond waarvan [partij A] deze kosten moet betalen. Het gaat om kosten die alleen [partij B] als gebruiker van de woning aangaan. Deze vergoedingsrechten worden dus afgewezen.

Kosten renovatie woning

[partij B] stelt dat hij kosten heeft gemaakt voor een nieuwe vloer, schilderwerk en renovatie van de badkamer, de wc en de tuin. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij B] toegelicht dat sprake is geweest van een rioolbreuk waardoor de badkamer moest worden opengebroken en schade was ontstaan. [partij A] heeft deze kosten betwist en heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd van niets te weten en dat hieromtrent niets met hem is afgestemd. Deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden nadat [partij A] was vertrokken.

Op grond van artikel 3:172 BW moeten partijen in beginsel in gelijke mate bijdragen tot uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de woning zijn verricht. Daarbij moet het gaan om handelingen, verricht ten behoeve van onderhoud en instandhouding van het gemeenschappelijke goed (artikel 3:170 lid 1 BW). In beginsel kunnen dus niet alle kosten voor iedere renovatie worden aangemerkt als dergelijke kosten. Omdat [partij B] in reconventie vordert dat aan hem vergoedingsrechten toekomen, is het aan [partij B] om te motiveren waarom hij daar recht op heeft.

[partij B] heeft de door hem gestelde vergoedingsrechten naar het oordeel van de rechtbank tegeover de betwisting door [partij A] onvoldoende onderbouwd. [partij B] stelt dat hij deze uitgaven heeft gedaan en dat [partij A] de helft moet betalen, maar verdere onderbouwing aan de hand van bijvoorbeeld offertes of rekeningafschriften ontbreekt. Er is één factuur overgelegd voor de koop van een laminaatvloer en een aantal Whatsapp berichten. Op basis daarvan kan echter niet worden vastgesteld welke uitgaven [partij B] waarvoor heeft gedaan, en in hoeverre sprake zou kunnen zijn van handelingen verricht behoeve van onderhoud en instandhouding van het gemeenschappelijke goed in de zin van artikel 3:170 lid 1 BW. Het leggen van een nieuwe laminaatvloer (kennelijk niet in de badkamer) valt daar naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet onder. De door [partij B] gestelde vergoedingsrechten op dit punt worden dus afgewezen.

Aflossing lening Nationale Nederlanden

[partij B] stelt zonder verdere toelichting of onderbouwing dat aan hem een vergoedingsrecht toekomt voor de helft van een schuld aan Nationale Nederlanden die hij heeft afgelost. [partij A] betwist dat het gaat om een gezamenlijke schuld en zegt dat hij ook niet bekend is met een lening bij Nationale Nederlanden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank gevraagd waaruit blijkt dat sprake was van een gezamenlijke schuld. [partij B] heeft gezegd dat hij ter zake geen documenten kan overleggen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat sprake was van een gezamenlijk schuld of een schuld die [partij A] aanging. [partij B] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om een vergoedingsrecht aan te nemen, te meer daar onduidelijk is of er geld is geleend en waar het geleende geld voor is gebruikt.

Vergoeding ter zake dwangbevel gemeente

Ten slotte stelt [partij B] dat hij een dwangbevel van de gemeente heeft ontvangen omdat – zo begrijpt de rechtbank – gemeentelijke belastingen te laat zijn betaald. Aan dat dwangbevel zijn extra kosten verbonden, die [partij B] heeft voldaan. [partij B] vindt dat [partij A] deze kosten volledig moet vergoeden, omdat [partij A] relevante post niet zou hebben doorgestuurd.

[partij A] betwist dat hij bepaalde post niet heeft doorgestuurd. [partij B] heeft niet toegelicht welke post wanneer niet zou zijn doorgestuurd, en waarom dat tot gevolg heeft gehad dat [partij B] deze extra kosten heeft moeten maken. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om op dit punt een vergoedingsrecht aan te nemen.

Conclusie vergoedingsrechten

Samenvattend zal de rechtbank de wijze van verdeling van de woning gelasten, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende aan [partij B] toekomende vergoedingsrechten:

de helft van het bedrag dat [partij B] meer heeft afgelost van de hypotheekschuld dan [partij A] tot de datum van levering van de woning aan [partij B] of aan een derde; en

een bedrag van € 2.774,65 in verband met de aflossing door [partij B] van de lening bij ING met kenmerk [kenmerk] .

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen – partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad – zullen de proceskosten tussen hen in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

in conventie en in reconventie

De rechtbank:

gelast de wijze van verdeling van de woning (een appartement aan [adres] ) als volgt:

taxatie

a. partijen zullen tezamen binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis opdracht geven aan [makelaar] te [plaats] (hierna: de makelaar) om de woning te taxeren. De makelaar stelt de actuele vrije verkoopwaarde vast. Beide partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn en zullen alle medewerking verlenen aan de taxatie die de makelaar noodzakelijk acht. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen;

primair: toedeling aan [partij B]

de woning wordt toegedeeld aan [partij B] , onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport aan [partij A] aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en de hierna onder c genoemde overbedelingsvordering aan [partij A] te betalen en (ii) [partij A] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;

indien aan de hiervoor onder b genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal [partij A] (zijn aandeel in) de woning zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een maand na het moment waarop [partij B] aantoont dat hij de benodigde financiering kan verkrijgen, bij de door [partij B] aan te wijzen notaris leveren aan [partij B] onder ontslag van [partij A] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. [partij A] verkrijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op [partij B] . Deze vordering is gelijk aan de taxatiewaarde verminderd met de actuele hypotheekschuld gedeeld door twee, welk aan [partij A] toekomend bedrag nog wordt verminderd met (i) de helft van het bedrag dat [partij B] meer heeft afgelost van de hypotheekschuld dan [partij A] tot de datum van levering van de woning aan [partij B] en (ii) een bedrag van € 2.774,65 in verband met de aflossing door [partij B] van de lening bij ING met kenmerk [kenmerk] . Dit aan [partij A] uit overbedeling toekomend bedrag moet [partij B] ten tijde van de levering bij de notaris aan [partij A] betalen. Partijen moeten ieder de helft van de kosten betalen voor de levering bij de notaris van (het aandeel van [partij A] in) de woning aan [partij B] ;

subsidiair: verkoop en levering van de woning aan een derde

indien niet aan de hiervoor onder b genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen twee weken nadat blijkt dat [partij B] de benodigde financiering niet kan krijgen een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;

partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers;

partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;

partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, en de eventuele kosten van de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering;

partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. [partij B] ontvangt de helft van de overwaarde (verkoopopbrengst minus actuele hypotheekschuld) vermeerderd met (i) de helft van het bedrag dat [partij B] meer heeft afgelost van de hypotheekschuld dan [partij A] tot de datum van levering van de woning aan de derde en (ii) een bedrag van € 2.774,65 in verband met de aflossing door [partij B] van de lening bij ING met kenmerk [kenmerk] . [partij A] ontvangt het resterende bedrag van de overwaarde,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

type: 3557

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?