RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27359
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat de voorgaande maatregel niet tijdig is omgezet. Op 7 mei 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in zijn asielprocedure. Pas op 11 mei 2026 heeft verweerder de grondslag van de maatregel gewijzigd en de onderhavige maatregel aan eiser opgelegd. Dit is niet binnen de vereiste 48 uur.
3. In dit beroep wordt alleen de rechtmatigheid beoordeeld van de maatregel die op 11 mei 2026 aan eiser is opgelegd. Dat de eerder op 19 januari 2026 opgelegde maatregel van bewaring volgens eiser niet tijdig is opgeheven en omgezet staat in deze procedure niet ter beoordeling. Eiser had dit kunnen aanvoeren door bijvoorbeeld een vervolgberoep in te dienen tegen de maatregel van bewaring van 19 januari 2026.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle zware en lichte gronden, met uitzondering van zware grond 3a en lichte grond 4a.
6. De zware grond 3a is terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum of andere toestemming om Nederland binnen te reizen. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Ook de zware grond 3b is feitelijk juist. Eiser is immers op 23 december 2025, nadat hij vernam dat zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond was verklaard, met onbekende bestemming en met medeneming van zijn persoonlijke spullen uit het AZC vertrokken, en heeft zich in de week van 23 december tot 30 december 2025 niet gemeld noch de autoriteiten in kennis gesteld van waar hij verbleef. Op 30 december 2025 is eiser teruggekeerd vanwege de kou. Dat eiser zelf is teruggekeerd naar het AZC neemt niet weg dat hij zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Deze hiervoor genoemde zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
7. Eiser meent dat het refoulementsrisico ondeugdelijk gemotiveerd is. Er is enkel gebruik gemaakt van algemene overwegingen, maar niet is gebleken van een inhoudelijke toets.
8. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het arrest Adrar zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het verbod op refoulement. Daarnaast is het aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 20 januari 2026 een herhaalde asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure heeft eiser ruimschoots de mogelijkheid gekregen om eventuele vrezen bij terugkeer naar Pakistan naar voren te brengen. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 14 februari 2026. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 mei 2026 ongegrond verklaard. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden sindsdien.
Ambtshalve toets
10. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.