Beschikking op het op 17 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg in Breda.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 15 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat en de vader bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
- te bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie moet betalen van € 400,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Eenhoofdig gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n in samenhang met artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , en voert daartoe het volgende aan. De vader is begin 2025 strafrechtelijk veroordeeld voor het onder rokken kijken en maken van foto’s van vrouwen. Tijdens de psychologische onderzoeken is gebleken dat de vader lijdt aan depressie en ADHD. Daarbij is de afgelopen gebleken dat de vader wispelturig kan reageren en handelen. Zodra hij wordt aangesproken door de moeder, wordt zij voor langere tijd geblokkeerd en wordt [de minderjarige] ook niet meer opgehaald. Daarnaast heeft de aanvraag van een nieuw identiteitsbewijs voor [de minderjarige] veel vertraging opgelopen omdat de vader pas na maanden en na tussenkomst van zijn advocaat, de toestemmingsformulieren had getekend. Door de houding van de vader is het ook niet gelukt om een ouderschapsplan op te stellen. Gelet op het bovenstaande, is het voor de moeder niet mogelijk om met de vader afspraken te maken over [de minderjarige] .
De vader voert verweer en betwist de stellingen van de moeder uitdrukkelijk. Hoewel de vader erkent dat de afgelopen periode er veel is gebeurd, geeft hij aan dat hij zijn zaken weer op orde heeft. De onderlinge communicatie is daardoor aanzienlijk verbeterd. Om hier nog verder stappen in te zetten geeft de vader aan open te staan voor een Ouderschapsbemiddelingstraject. De vader stelt verder geen gezagsbeslissingen te hebben tegengewerkt. Zo heeft hij de toestemmingsformulieren voor het identiteitsbewijs getekend maar duurde dit wat langer omdat hij het niet begreep, en heeft hij wel gereageerd op het concept ouderschap. Volgens de vader moet het verzoek van de moeder dan ook worden afgewezen.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden aangenomen dat het belang van de kinderen vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. Hoewel de communicatie tussen de ouders niet altijd soepel verloopt en de rechtbank zich kan voorstellen dat de moeder moeite heeft (gehad) met de wijze waarop de vader in het verleden communiceerde, is de rechtbank van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de vader daadwerkelijk gezagsbeslissingen heeft tegengehouden. De twee genoemde voorbeelden ten aanzien van het identiteitsbewijs en het ouderschapsplan zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gezag over [de minderjarige] te wijzigen. De rechtbank overweegt daarbij dat het verbeteren van de communicatie en daarmee het vormgeven van het ouderschap in handen ligt van de beide ouders. Zij kunnen zich – mochten zij hiervoor openstaan – via het wijkteam of de huisarts wenden voor aanmelding van een hulpverleningstraject zoals Ouderschapsbemiddeling. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Nu het gezamenlijk gezag in stand blijft, wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Hoofdverblijfplaats
De moeder verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen dit verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom als onweersproken toewijzen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepalen, nu niet gebleken is dat het belang van [de minderjarige] tegen toewijzing verzet.
Zorgregeling
De moeder verzoekt een zorgregeling vast te leggen waarbij [de minderjarige] om het weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:15 uur bij de vader is. De vader heeft ingestemd met dit verzoek omdat dit de zorgregeling is waar de ouders in de praktijk al uitvoering aan geven.
Daarnaast heeft de moeder vaststelling van de vakanties en feestdagen verzocht, dat neerkomt op een verdeling bij helfte. Op de zitting heeft de vader ingestemd met de voorgestelde verdeling van de moeder.
De rechtbank zal de verzoeken van de moeder als onweersproken toewijzen, nu niet gebleken is dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
Kinderalimentatie
Op de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. Zij zijn overeengekomen dat de vader per 1 april 2026 een kinderalimentatie betaald van € 200,- per maand, te vermeerderen met € 75,- per maand voor de aflossing op de gezamenlijke kinderopvangschuld. Vanaf 1 juni 2026 zal de vader € 300,- per maand aan kinderalimentatie betalen, eveneens te vermeerderen met € 75,- per maand voor de aflossing van de kinderopvangschuld.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, en de kinderalimentatie opnemen in het dictum. De aflossing voor de schuld bij de kinderopvang is een partijafspraak die zich niet leent voor opname in het dictum. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich hier wel aan zullen houden.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
- om het weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:15 uur;
*
bepaalt dat [de minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen bij de vader is:
*
bepaalt dat de vader aan de moeder van 1 april 2026 tot 1 juni 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] zal betalen van € 200,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 juni 2026 een kinderalimentatie zal betalen ten behoeve van [de minderjarige] van € 300,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.