ECLI:NL:RBDHA:2026:14350

ECLI:NL:RBDHA:2026:14350

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 31-05-2026
Zaaknummer C/09/681926 / FA RK 25-1952
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Doorverwijzing UHA + gelasten raadsonderzoek. Gezag en zorgregeling aangehouden. Vervangende toestemming medische behandeling en dwangsom op verbod plaatsen beelden/informatie op sociale media.

Uitspraak

Beschikking op het op 12 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T. Venneman te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.L. Schipper-Heikens te ’s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 15 mei 2025 van deze rechtbank is de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de moeder bepaald en is iedere verdere beslissing ter zake van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.

Op 2 april 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

Verzoek en verweer

De moeder heeft aanvullend verzocht:

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Stand van zaken

Bij beschikking van 15 mei 2025 zijn de verzoeken omtrent de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden voor de duur van zes maanden. De rechtbank zag op dat moment geen ruimte om een voorlopige zorgregeling vast te stellen, maar ging ervan uit dat door de bij de moeder ingezette hulpverlening onderzocht zou worden welke mogelijkheden er zijn tot contact(herstel) met de vader. Inmiddels is gebleken dat er nog steeds geen contact is geweest tussen de vader en de kinderen. De ouders hebben uiteenlopende visies op de oorzaak hiervan. De moeder heeft daarnaast aanvullend verzocht om haar met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten.

Standpunt vader

Voor de vader is het lastig dat de betrokken hulpverlening hem niet informeert over de namen van de hulpverleners en de organisatie waarvoor zij werken. Dit maakt dat hij geen vertrouwen heeft in de hulpverlening. Hierdoor heeft hij geen toestemming gegeven voor hulpverlening voor de kinderen. De hulpverlening heeft aangegeven dat in dat geval ook geen begeleid contact zou worden opgestart. Dit is voor de vader onbegrijpelijk. Naar de mening van de vader is begeleiding van het contact überhaupt niet noodzakelijk, omdat de kinderen veilig zijn bij hem. Hij wil dat de Raad onderzoek gaat doen naar de situatie, omdat de Raad een bekende organisatie is en de situatie vanuit een objectief perspectief kan beoordelen.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag betwist de vader dat hij alle gezagsbeslissingen blokkeert. Hij heeft geen toestemming gegeven voor de traumabehandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat hij onvoldoende informatie over de uitvoerende organisatie heeft, maar de moeder heeft nooit toestemming verzocht voor andere gezagskwesties. Daar wil hij wel aan meewerken. De Raad moet eerst een onderzoek doen, voordat over het gezag kan worden beslist.

Standpunt moeder

Volgens de moeder ligt het aan de vader dat er geen begeleid contact tot stand is gekomen. Hij heeft niet meegewerkt aan het opstarten van begeleid contact. De moeder heeft ook beelden overgelegd, waarin de vader aangeeft dat hij begeleid contact niet nodig vindt en daaraan ook niet zal meewerken. Naar de mening van de moeder is het wel noodzakelijk om het contact te begeleiden.

De moeder heeft aanvullend verzocht om haar met het eenhoofdig gezag te belasten, omdat de situatie tussen partijen zodanig verslechterd is dat van gezamenlijke gezagsuitoefening geen sprake meer kan zijn. De vader blokkeert gezagsbeslissingen en weigert structureel samen te werken met de betrokken hulpverlening en omgangsinstanties. Bij proces-verbaal van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank vervangende toestemming verleend om de kinderen te screenen om te beoordelen of (psychologische) hulpverlening noodzakelijk is. Op basis van deze screening is geadviseerd om traumabehandeling in te zetten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar de vader weigert hiervoor toestemming te geven. De moeder kan niet telkens opnieuw genoodzaakt worden om vervangende toestemming te krijgen voor hulpverlening die evident noodzakelijk is.

De moeder staat achter het gelasten van een raadsonderzoek met betrekking tot het contact tussen de vader en de kinderen. Met betrekking tot het gezag is dat anders. Het is niet in het belang van de kinderen dat de moeder bij elke gezagsbeslissing om vervangende toestemming moet verzoeken. Dat kan ook niet langer van haar gevergd worden, zodat een beslissing over het gezag niet kan wachten op de uitkomsten van een raadsonderzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Volgens de moeder heeft er gedurende de relatie van de ouders huiselijk geweld plaatsgevonden van de vader richting de moeder. Hierdoor is zij genoodzaakt geweest om op een geheime (opvang)locatie te verblijven. De vader betwist dat sprake is geweest van huiselijk geweld van hem richting de moeder, maar stelt dat er wel sprake was van geweld van de moeder richting hem. De rechtbank heeft in deze procedure slechts beperkte informatie gekregen over hetgeen in het verleden plaats zou hebben gevonden tussen partijen. Wat er ook zij van de stelling van de moeder en de ontkenning van de vader, het is de rechtbank gebleken dat er een zeer moeizame situatie is ontstaan, waarin de moeder op een geheime locatie verblijft en het partijen niet lukt om contact(herstel) tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen. Inmiddels is er al anderhalf jaar geen contact geweest tussen de vader en de kinderen, terwijl beide partijen contact wel in het belang van de kinderen lijken te vinden. De ouders hebben uiteenlopende standpunten over de oorzaak van het uitblijven van contact, maar de rechtbank kan in ieder geval constateren dat een belangrijke factor lijkt te zijn dat de vader zich op het standpunt heeft gesteld dat begeleiding van het contact niet nodig is en dat hij er daarom niet aan mee heeft willen werken.

De rechtbank is van oordeel dat begeleide omgang wel degelijk noodzakelijk is om het contact weer op te starten. Ongeacht de vraag of de veiligheid van de kinderen bij de vader in het geding is, staat vast dat zij al anderhalf jaar geen contact met de vader hebben gehad en dat zij eerder negatief hebben gereageerd op videobelcontact. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het noodzakelijk dat contactherstel onder begeleiding zal plaatsvinden. De rechtbank zal daarom geen onbegeleide regeling vaststellen. Dit is met partijen besproken op de zitting en beide ouders hebben aangegeven (alsnog) te willen meewerken aan een verwijzing naar omgangsbegeleiding.

De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan GRJW.

De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.

Gelet op het geheime adres van de moeder is het moeilijk om de frequentie en duur van een (voorlopige) regeling vast te stellen. De rechtbank gaat er in ieder geval vanuit dat de begeleidende instantie zal streven naar een regeling waarbij er tweewekelijks contact is.

Ten aanzien van het gezag overweegt de rechtbank dat zij (vooralsnog) geen aanleiding ziet om het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag toe te wijzen. Daarbij speelt mee dat er nog veel onduidelijkheid over de situatie bestaat. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat, parallel aan het traject omgangsbegeleiding, de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek zal uitvoeren en de rechtbank zal adviseren omtrent het gezag en de (definitieve) zorg-/omgangsregeling.

Daarom zal de rechtbank de Raad verzoeken een onderzoek te doen en daarover rapport en advies uit te brengen. Het onderzoek dient de volgende vragen te beantwoorden:

De rechtbank spreekt de hoop uit dat indien het traject omgangsbegeleiding al gestart is bij aanvang van het raadsonderzoek, de Raad het verloop hiervan zal meenemen in zijn onderzoek. Indien de omgangsbegeleiding op dat moment nog niet is gestart, geeft de rechtbank de Raad in overweging om proefcontacten tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen.

De rechtbank ziet wel aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen definitief bij de moeder vast te stellen en zal het verzoek van de moeder daartoe toewijzen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorg-/omgangsregeling aanhouden tot een nader te noemen pro forma datum in afwachting van het verloop van de omgangsbegeleiding en de uitkomst van het raadsonderzoek.

Vervangende toestemming traumabehandeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder heeft vervangende toestemming verzocht voor traumabehandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [zorginstantie] .

De vader heeft op de zitting weliswaar aangegeven alsnog toestemming te zullen verlenen, maar omdat de rechtbank de noodzaak van de behandeling ziet en wil voorkomen dat de start van de behandeling verdere vertraging zal oplopen, zal zij zekerheidshalve vervangende toestemming verlenen aan de moeder.

Verbod online plaatsen van foto’s en video’s

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het vijfde lid van deze wetsbepaling kan de rechtbank op verzoek, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Inhoudelijke beoordeling

Uit het proces verbaal van de zitting in kort geding d.d. 7 augustus 2025 volgt dat aan de vader een verbod is opgelegd om beeldmateriaal van de kinderen of informatie over hen op sociale media te plaatsen. Het verzoek van de moeder om een dwangsom aan dit verbod te verbinden is toen afgewezen, omdat de vader had beloofd zich aan dit verbod te houden. Inmiddels is gebleken dat de vader toch opnieuw enkele keren beeldmateriaal van de kinderen op sociale media heeft geplaatst. De moeder heeft daarom wederom verzocht een dwangsom te verbinden aan het verbod.

Om elke onduidelijkheid weg te nemen, ziet de rechtbank aanleiding om een dwangsom van € 250,- per keer dat de vader zich niet aan het verbod houdt op te leggen, met een maximum van € 5.000,-.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarigen:

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

*

verleent toestemming aan de moeder– welke toestemming die van de vader vervangt – voor (trauma)therapie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [zorginstantie] ;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere keer dat hij het verbod om beeldmateriaal van de kinderen dan wel andere informatie betreffende de kinderen op sociale media te plaatsen dan wel op welke wijze dan ook met anderen te delen op zijn openbare accounts, zoals in online gesprekken met zijn volgers, dan wel op zijn privéaccounts, overtreedt, met een maximum van € 5.000,-;

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de vader] ,

wonende te [plaats] , [adres] ,

en

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) per beveiligde e-mail naar retmh@grjw.nl;

bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die (door tussenkomst van hun advocaten) te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (vader) en [telefoonnummer 2] (mr. L.L. Schipper-Heikens: advocaat van de moeder);

indien de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat een zorg-/omgangsregeling niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen, verzoekt de rechtbank de Raad een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop dat contact gerealiseerd kan worden, indien nodig met behulp van proefcontacten;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 november 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang aan tot 1 november 2026 pro forma in afwachting van het rapport van de Raad en het verloop van het traject Omgangsbegeleiding.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.J.W. Straatsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand