RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.9630
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘nareis’. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing niet in stand kan blijven, omdat de minister de afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister de aanvraag voor een mvv in het kader van nareis voor eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent [referent] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: A. Baban.
Beoordeling door de rechtbank
Het juridische kader
Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet binnen de in het bestreden besluit gegeven termijn van vier weken beroep heeft ingesteld. Het bestreden besluit is van 18 december 2024. Eiseres heeft op 26 februari 2025 beroep ingesteld. Het beroepschrift is daarmee na het verstrijken van de beroepstermijn ingediend. De rechtbank zal daarom eerst oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep en de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, voordat aan een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden wordt toegekomen.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister het bestreden besluit aan het juiste adres van de gemachtigde van eiseres heeft gericht en daadwerkelijk heeft verzonden. Partijen twisten in beroep over 1) de ontvangst en het tijdig kennis kunnen nemen van het bestreden besluit na de verzending daarvan en 2) of daarmee een verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk is gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
9. Uit vaste jurisprudentie1 volgt dat als het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, vermoed wordt dat het poststuk tijdig is afgeleverd en ontvangen door de rechtszoekende. Het ligt vervolgens op de weg van de geadresseerde om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Als aannemelijk is dat de geadresseerde het besluit niet tijdig heeft ontvangen en daardoor niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het besluit, kan dat een reden zijn om de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres het vermoeden dat het bestreden besluit tijdig is ontvangen op aannemelijke gronden ontzenuwd. Eiseres heeft gesteld dat haar gemachtigde pas op 24 februari 2025 kennis heeft kunnen nemen van het bestreden besluit. Ter onderbouwing heeft eiseres een mailwisseling tussen de minister en haar gemachtigde overgelegd. Hieruit blijkt dat de gemachtigde van eiseres voor het eerst op 24 februari 2025 op de hoogte kwam van het op 18 december 2024 genomen besluit en daarvan kennis heeft genomen. Uit de mailwisseling blijkt ook dat de minister heeft
bevestigd dat het besluit volgens de administratie van de IND correct is verzonden, maar dat er mogelijk een fout is opgetreden bij de postverzending of -bezorging. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting toegelicht dat hij zijn kantoor aan huis heeft en, zonder enige administratieve of juridische ondersteuning of huisgenoten, als enige de post kan hebben ontvangen. In samenhang bezien acht de rechtbank het aannemelijk dat het besluit wel is verzonden, maar niet door de gemachtigde is ontvangen. De rechtbank acht de termijnoverschrijding daarom in dit geval verschoonbaar en laat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege. Het beroep is dus ontvankelijk.
Het bestreden besluit
11. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 2004 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres verblijft op dit moment in Syrië en wenst te verblijven in Nederland als pleegkind bij haar
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617.
oom, [referent] (referent). Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1990 en heeft de Syrische nationaliteit. Referent heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland. Referent heeft in het kader van nareis voor eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een mvv. Eiseres heeft van 2004 tot 2015 samen met referent en haar oma (de moeder van de referent) gewoond, en van 2017 tot 2021 bij referent, totdat referent naar Nederland moest vluchten. Op het moment van de aanvraag was eiseres nog minderjarig.
12. De minister heeft het bezwaar van eiseres in het bestreden besluit afgewezen als ongegrond, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een pleegsituatie tussen eiseres en referent. Daarbij is overwogen dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond, omdat referent nooit de wettelijke voogdij over eiseres heeft verkregen. Eiseres heeft alleen een voogdijverklaring van 2017 overgelegd, waaruit blijkt dat haar oma (de moeder van referent) de voogdij heeft verkregen. Daarom is volgens de minister geen sprake van een juridische pleegsituatie. Volgens de minister is ook onvoldoende grond voor het aannemen van een feitelijke pleegsituatie. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat referent de enige persoon was die voor haar heeft gezorgd, en ook niet dat zijn zorg vanaf 2017 noodzakelijk was. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres financieel afhankelijk is van referent, blijkt uit de verklaringen niet dat de biologische vader niet voor haar kan of wil zorgen, en beschikt referent niet over het officiële gezag. Verder is volgens de minister geen sprake van beschermenswaardig familie-en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM), omdat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiseres en referent. De minister heeft daarom – naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 20242 – geen belangenafweging gemaakt.
13. Uit artikel 29, tweede en vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), volgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin van een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, mits voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) dient daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij de minister in te dienen.
14. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (het peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort.3 Op grond van paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc betrekt de minister bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen referent en het gestelde pleegkind in ieder geval de volgende aspecten:
- de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders;
- de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;
- de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent;
2 ECLI:NL:RVS:2024:1189.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:25.
- in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en
- of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.
Het standpunt van eiseres en de minister in beroep
15. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat de minister ten onrechte geen pleegsituatie tussen haar en referent heeft aangenomen, en daarmee geen feitelijke gezinsband. Eiseres stelt op de eerste plaats dat haar oma sinds 2017 niet meer in staat was om voor haar te zorgen vanwege gezondheidsredenen. De voogdijverklaring van 2017 is het gevolg van een juridische verlenging, waarbij niet altijd wordt gekeken naar de gezondheidssituatie van de voogd. Eiseres heeft toegelicht dat volgens Syrisch recht de voogdij primair aan vrouwelijke familieleden wordt gegeven. Bovendien leverde het op dat moment ook geen probleem op dat de voogdij juridisch gezien bij haar oma lag, omdat referent beschikbaar was om feitelijk voor eiseres te zorgen. Volgens eiseres doet de juridische pleegsituatie daarmee geen afbreuk aan de feitelijke pleegsituatie.
16. De minister heeft in zijn verweerschrift en op de zitting gereageerd op de beroepsgronden en heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van de zorg van referent. De minister noemt hiervoor de volgende vier redenen. In de eerste plaats heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat referent de enige persoon was die voor haar zorgde, en ook niet dat zijn zorg vanaf 2017 noodzakelijk was. Ten tweede is niet gebleken dat eiseres financieel afhankelijk is van referent. Daarnaast blijkt uit de verklaringen niet dat de biologische vader niet voor eiseres kan of wil zorgen. Tot slot beschikt referent niet over het officiële gezag.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een pleegsituatie tussen eiseres en referent. De rechtbank constateert uit het besluit dat de minister als belangrijkste motivering voor de afwijzing van de onderhavige mvv-aanvraag heeft gehanteerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van de zorg van referent. Als gevolg daarvan heeft de minister te veel nadruk gelegd op de vraag of iemand anders voor eiseres kon zorgen. Daardoor is onvoldoende aandacht is besteed aan de feitelijke situatie, die volgens het beleid van de minister juist van groot belang is. De rechtbank betrekt hierbij de volgende feiten.
18. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de biologische moeder van eiseres is overleden in 2004. Ook stelt de rechtbank vast dat de biologische vader van eiseres toestemming heeft gegeven voor haar overkomst naar Nederland. Dit blijkt uit de toestemmingsverklaring van 22 mei 2022, die bij de aanvraag is overgelegd. Verder overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres, na het overlijden van haar biologische moeder, bij haar oma is ingetrokken en van 2004 tot 2015 samen met referent en haar oma (de moeder van referent) heeft gewoond in [plaats 1] . Tussen 2015 en 2017 heeft referent gestudeerd in [plaats 2] . Referent heeft verklaard dat hij gedurende die periode nauw contact met eiseres heeft onderhouden en haar in [plaats 1] bezocht – voornamelijk tijdens vakanties – wanneer de veiligheidssituatie dit toeliet. Ook is tussen partijen niet in geschil dat eiseres in 2017 bij referent en zijn partner is ingetrokken in [plaats 2] . Referent heeft verklaard dat de directe aanleiding daarvoor was dat er een voorval had plaatsgevonden met een buschauffeur, waarbij de oma niet in staat was om
eiseres voldoende bescherming te bieden. Daarnaast verslechterde de gezondheidssituatie van de oma van eiseres. Uit de overgelegde medische verklaring van 5 mei 2022 blijkt dat de oma last had van hoge bloeddruk, hartkramp, botontkalking en symptomen van een hernia. Eiseres voert aan dat de oma daarom ook niet meer voor haar kon zorgen. Eiseres heeft daarom van 2017 tot 2021 bij de referent gewoond, totdat hij uit Syrië naar Nederland moest vluchten.
19. In het bestreden besluit heeft de minister erkend dat er in 2017 een kentering heeft plaatsgevonden, vanwege de problemen die eiseres op school ondervond en het incident met de chauffeur van de schoolbus. De minister stelt zich op het standpunt dat de opname van eiseres in het gezin van referent niet noodzakelijk was. Volgens de minister lijkt de keuze dat de referent de zorg van zijn moeder (de oma van eiseres) overnam, meer te zijn ingegeven door onmacht dan door een medische oorzaak. Dit zou blijken uit de omstandigheid dat eiseres tijdens de voorbereiding van het vertrek van referent uit Syrië opnieuw bij haar oma in [plaats 1] is ingetrokken.
20. De rechtbank overweegt dat de minister zich ten onrechte niet heeft gebaseerd op de werkelijke situatie. Ongeacht of de oma strikt gezien nog voor eiseres had kunnen zorgen of niet, heeft eiseres vanaf haar dertiende tot haar zeventiende feitelijk bij referent en zijn partner gewoond, totdat referent uit Syrië moest vluchten. Daarbij komt dat de minister ook heeft onderkend dat de oma van eiseres aan referent heeft gevraagd of eiseres bij referent kon verblijven. Uit het beleid – zoals opgenomen onder rechtsoverweging 14 – volgt dat de minister ook rekening moet houden met de vraag in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind. De rechtbank ziet geen reden om bij juridische voogdij van een andere maatstaf uit te gaan. In dit verband vindt de rechtbank het belangrijk dat de oma van eiseres, die de juridische voogdij had, aan referent heeft gevraagd of zij bij hem in [plaats 2] kon intrekken. Dit wijst er immers op dat de feitelijke, en mogelijk ook hoofdzakelijke, verzorging en opvoeding van eiseres tussen haar dertiende en zeventiende levensjaar bij referent lagen, en niet bij haar oma. Dit sluit aan bij de verklaringen van referent tijdens de hoorzitting in bezwaar van 18 december 2024. Hij heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat de oma vóór 2017 de beslissingen nam over het leven van eiseres en dat hij vanaf 2017 – toen eiseres bij hem introk – de opvoeding overnam, waarbij hij vooral werd ondersteund door zijn verloofde (hoorverslag, pagina 6 en 7). Zo heeft referent verklaard dat hij eiseres heeft ingeschreven op een school dichtbij hem in [plaats 2] . Verder heeft referent consistent verklaard dat hij haar vanaf 2017 naar school bracht en haar in de middag ophaalde, zij samen gingen eten en hij haar in de avond hielp met huiswerk. In de persoonlijke verklaring van referent, overgelegd bij de gronden van beroep, benadrukt hij dat hij vanaf 2017 verantwoordelijk was voor eiseres. Hij maakte belangrijke keuzes over haar schoolgang, had contact met haar docenten en was op de hoogte van haar studievoortgang. Daarnaast zorgde hij voor de aanschaf van schoolspullen, haar inschrijving voor buitenschoolse activiteiten, de aankoop van verzorgingsproducten en hield hij toezicht op haar emotioneel welzijn. De minister heeft deze feiten niet betwist.
21. Ook het standpunt van de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij financieel afhankelijk is van referent, volgt de rechtbank niet zonder meer. Hoewel de rechtbank het met de minister eens is dat eiseres geen documenten heeft overgelegd, waaruit bewijs van inkomen van referent blijkt of dat hij structureel voor eiseres betaalde, volgt uit de feitelijke situatie dat eiseres (ongeveer) vier jaar lang bij referent heeft gewoond. In dat
kader acht de rechtbank aannemelijk dat referent eiseres in ieder geval in natura, zoals door het bieden van huisvesting en verzorging, financieel heeft ondersteund. Deze afhankelijkheid wordt verder onderstreept door de verklaringen van referent in bezwaar. Hij heeft verklaard verantwoordelijk te zijn geweest voor het aanschaffen van schoolspullen, voeding en verzorgingsproducten (verklaring van 2 oktober 2023, pagina 3 en het hoorverslag, pagina 4). Het feit dat referent tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat eiseres financieel afhankelijk was van overige familieleden, zoals zijn broer en zus, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die verklaringen blijkt immers ook dat zijn broer en zus alleen tijdens feestdagen financiële hulp gaven (hoorverslag, pagina 9). Daarbij komt dat niet is gebleken van wie eiseres dan wel (hoofdzakelijk) financieel afhankelijk was. Dat anderen eiseres financieel steunden, wil niet zeggen dat er geen financiële afhankelijkheid van referent was. Zo is ook niet gebleken dat eiseres financieel afhankelijk was van haar oma, die de juridische voogdij had, of van haar biologische vader. De rechtbank overweegt verder dat de stelling van de minister in het bestreden besluit, dat eiseres inmiddels bij haar oma woont, die een pensioen ontvangt, en dat eiseres zelf parttime werkt, betrekking heeft op omstandigheden ná het peilmoment. De minister heeft zich ook op dit punt ten onrechte onvoldoende gebaseerd op de feitelijke situatie.
22. Ook bij de tegenwerping dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar biologische vader zijn verantwoordelijkheid voor haar niet kon dragen, heeft de minister ten onrechte onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie. Hoewel de rechtbank het met de minister eens is dat een toestemmingsverklaring voor uitreis op zichzelf onvoldoende bewijs vormt dat de biologische vader van eiseres zijn verantwoordelijkheid voor haar niet kon dragen, heeft de minister ten onrechte niet onderkend dat de band tussen eiseres en haar biologische vader zeer marginaal is. In dit verband is van belang dat de minister – zoals de rechtbank eerder onder rechtsoverweging 20 heeft overwogen – niet alleen bij de beoordeling moet betrekken in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen, maar als dit aan de orde is, ook in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind. Daarover heeft referent tijdens de hoorzitting (hoorverslag pagina 10 en 11) en opnieuw in zijn persoonlijke verklaring bij beroep verklaard dat de biologische vader van eiseres na het overlijden van haar moeder op geen enkele wijze betrokken is gebleven bij haar opvoeding, en dat eiseres haar vader in haar hele leven slechts één of twee keer heeft gezien. Verder kan de rechtbank de tegenwerping dat referent in zijn persoonlijke verklaring bij bezwaar heeft gesteld dat tussen eiseres en haar biologische vader wel sprake is van telefonisch contact – zoals de minister in het bestreden besluit stelt – niet volgen. Hieruit heeft de minister namelijk niet mogen afleiden dat de biologische vader van eiseres zijn verantwoordelijkheid voor haar nog kon en wilde dragen. Uit diezelfde verklaring blijkt namelijk ook dat referent heeft gesteld dat de vader van eiseres haar op straat waarschijnlijk niet eens zou herkennen. Bovendien heeft referent in zijn latere persoonlijke verklaring bij beroep toegelicht dat deze telefoongesprekken uitsluitend om administratieve redenen plaatsvonden, namelijk om toestemming te verkrijgen voor de overkomst van eiseres naar Nederland.
23. Alles bij elkaar in samenhang bezien, heeft de minister niet met deugdelijke en overtuigende argumenten gemotiveerd waarom geen sprake is van een pleegsituatie tussen eiseres en referent. Dat referent niet het officiële gezag had over eiseres op het peilmoment, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. De in punt 20 tot en met 22 besproken tegenwerpingen zijn namelijk geen ondergeschikte punten in de gemaakte beoordeling van de feitelijke pleegsituatie. De beroepsgrond slaagt.
24. De overige beroepsgronden van eiseres met betrekking tot artikel 8 van het EVRM, over ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’, behoeven geen bespreking. De minister moet namelijk eerst opnieuw beoordelen of sprake is van een pleegouder-kindrelatie tussen referent en eiseres, wat ook relevant is voor de beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
25. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
26. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
27. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.