[eiser],
geboren op [geboortedag] 1996, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft met het bestreden besluit van 1 februari 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk in de taal Arabisch-Algerijns en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De besluitvorming
3. De minister heeft de asielaanvraag in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. De minister heeft niet beoordeeld of eiser uitstel van vertrek krijgt om medische redenen. Eiser heeft namelijk al eerder asiel aangevraagd en deze aanvraag is afgewezen.
Had de minister ambtshalve moeten beoordelen of er reden was voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000?
4. Eiser voert primair aan dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op het gehele patiëntendossier, maar naar aanleiding van slechts één medisch stuk heeft gesteld dat er bij eiser alleen sprake is van pijn aan de onderrug en het rechterbeen. Alleen al daarom kan het besluit geen stand houden. Voorts voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er bij een opvolgende asielaanvraag geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Ter onderbouwing verwijst eiser naar uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 september 2025 en 17 oktober 2025. Verder verwijst eiser naar Werkinstructie 2024/2.
5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat er sprake is van een opvolgende asielaanvraag in de zin van artikel 1 van de Vw 2000. Uit artikel 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) volgt dat de minister een ambtshalve beoordeling krachtens artikel 64 van de Vw 2000 verricht bij een eerste asielaanvraag. Uit artikel 6.1e van het Vb 2000 volgt geen verplichting voor de minister om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te beoordelen of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Dat de minister die verplichting bij een opvolgende aanvraag niet heeft, volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling. De minister was derhalve niet gehouden ambtshalve te beoordelen of er reden was voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.
De verwijzing van eiser naar de Werkinstructie 2024/2, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit deze werkinstructie blijkt namelijk niet dat de minister ongeacht het voorgaande bij een opvolgende aanvraag ambtshalve beoordeelt of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.
Ook de uitspraken van de zittingsplaats Haarlem waarnaar eiser verwijst, veranderen het oordeel van de rechtbank niet. In die zaken had de minister wel beoordeeld of er reden was voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. In het geval van eiser heeft de minister dat niet gedaan en hoefde hij dat ook niet te doen, gelet op het oordeel van de rechtbank onder 5.
Dat de minister in het bestreden besluit wel is ingegaan op een deel van de medische stukken die eiser heeft overgelegd en niet op het gehele overgelegde patiëntendossier, leidt eveneens niet tot een ander oordeel. De minister heeft immers niet ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek overeenkomstig artikel 64 van de Vw 2000.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.7220:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.7221:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.