ECLI:NL:RBDHA:2026:14472

ECLI:NL:RBDHA:2026:14472

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer NL25.34129
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

terugkeerbesluit en inreisverbod, artikel 8 EVRM, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1977, van Surinaamse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de rechtmatigheid van het tegen hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod.

Met het bestreden besluit van 28 juni 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond, maar kunnen de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Bestreden besluit

4. In het bestreden besluit heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd op grond van artikel 62 van de Vw. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat eiser:

Eiser dient verder het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk te verlaten, omdat er een risico is dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. In het terugkeerbesluit staan als zware gronden vermeld dat eiser:

Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.

Verder staan als lichte gronden in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser:

meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft;

niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Tot slot is aan eiser op grond van artikel 66a van de Vw een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Griffierecht

5. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft geen griffierecht te betalen.

Onthouden vertrektermijn

6. De rechtbank heeft op de zitting vastgesteld dat niet langer in geschil is of verweerder het onttrekkingsrisico voldoende heeft gemotiveerd. Op grond van artikel 62, tweede lid onder a, van de Vw, mocht verweerder daarom in het bestreden besluit bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Gezien het onttrekkingsrisico is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder terecht aan eiser een vertrektermijn heeft onthouden.

Voor eiser ligt de nadruk in de zaak op de belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM en de onevenredigheid van het opgelegde inreisverbod. De rechtbank zal daar hierna op ingaan.

Artikel 8 van het EVRM en evenredigheid

7. Eiser stelt dat het opgelegde inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat eiser familie heeft die de Franse nationaliteit hebben en in Frankrijk wonen. Eiser woont bij deze familieleden en door het inreisverbod wordt eiser zijn gezinsleven ontzegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit nagelaten om mee te wegen dat eiser reeds vijftien jaar in Frankrijk verblijft, dat hij daar beschikte over een verblijfskaart en dat zijn familiebanden daar liggen. Eiser heeft in Frankrijk ook een aanvraag tot naturalisatie lopen.

Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, bestond voor verweerder in beginsel de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, kan verweerder om humanitaire redenen of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens paragraaf A4/2.2, onder c, van de Vc vaardigt verweerder geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Uit paragraaf A4/2.3. van de Vc volgt verder dat verweerder voor zover mogelijk een inreisverbod voor de maximale duur uitvaardigt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat verweerder hetgeen door eiser in het gehoor is aangevoerd over artikel 8 van het EVRM niet kenbaar heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden en de rechtbank het besluit vernietigt.

De rechtbank ziet echter aanleiding om ondanks het onder rechtsoverweging 7.2. geconstateerde gebrek de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft het geconstateerde gebrek namelijk hersteld in het verweerschrift. In het verweerschrift zijn de door eiser aangevoerde omstandigheden alsnog betrokken en is een belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Hierbij is tevens betrokken dat eiser zijn verklaringen niet met toereikende documenten heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser een zorgplicht heeft naar zijn familieleden of dat hij zijn gezinsleven onmogelijk uit kan oefenen door het aan hem opgelegde inreisverbod. Eiser heeft niet aangetoond dat hij een relatie heeft en met familieleden samenwoont. Hij heeft evenmin aangetoond dat hij financieel wordt ondersteund door familieleden. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Met betrekking tot het privéleven heeft eiser niet aangetoond al vijftien jaar in Frankrijk te verblijven. Hij heeft slechts voor een relatief korte duur, op latere leeftijd, in Frankrijk verbleven. Ook heeft eiser zijn privéleven voor een groot deel opgebouwd in een periode dat hij onrechtmatig verblijf had. In die periode mocht hij er niet op vertrouwen dat hij privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM mocht opbouwen of voortzetten. Eiser heeft sterke banden met Suriname, hij is daar geboren en heeft daar een groot deel van zijn leven gewoond. Er is niet gebleken dat er voor hem belemmeringen zijn om zijn privéleven in Suriname opnieuw op te bouwen. Verder beschikt eiser over onvoldoende middelen van bestaan en heeft hij geen werk. Op basis hiervan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Overigens staat het eiser vrij om in Frankrijk een daartoe strekkende aanvraag voor verblijf in te dienen. Ook kan eiser één jaar na oplegging van het inreisverbod ook zelf verzoeken om opheffing van het inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechter ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te houden en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Awb.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze

partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend

binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de

behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de

indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.B. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand