RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026
[eiser 1], v-nummer: [nummer 1],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51952
in de zaak tussen
[eiseres 1] , v-nummer: [nummer 2],
[eiser 2] , v-nummer: [nummer 3],
[eiser 3] , v-nummer: [nummer 4],
[eiseres 2] , v-nummer: [nummer 5],
[eiseres 3] , v-nummer: [nummer 6],
[eiseres 4] , v-nummer: [nummer 7],
[eiseres 5] , v-nummer: [nummer 8],
[eiseres 6] , v-nummer: [nummer 9],
[eiseres 7] , v-nummer: [nummer 10],
[eiseres 8] , v-nummer: [nummer 11],
[eiser 4] , v-nummer: [nummer 12],
samen: eisers
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
(gemachtigde: M.C. Post-Kadijk ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [naam referent] (referent) ten behoeve van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “familie- of gezinslid bij referent”. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de mvv-aanvraag terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft op 12 januari 2023 een mvv-aanvraag ingediend voor eisers. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit en beogen verblijf bij referent. Referent heeft sinds 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit. Tijdens zijn eerste gehoor heeft referent verklaard dat zijn vader, moeder en twee zusjes zijn overleden en dat hij daarom opgroeide bij zijn tante. Nadat referent in 2019 weer in contact kwam met zijn oom die getrouwd was met diezelfde tante, is hij in 2020 naar de begrafenis van zijn oom geweest in Afghanistan. Daar kreeg referent een brief overhandigd waarin stond dat hij nog familieleden had. Eisers stellen de familieleden van referent te zijn. Het zou gaan om de moeder, twee broers en een zus van referent, samen met hun gezinsleden. Referent heeft tijdens de ambtelijke hoorzitting op 6 december 2024 verklaard dat hij op jonge leeftijd door zijn tante is ontvoerd, waardoor zijn jeugd is afgenomen. Daarom wil referent graag herenigd worden met eisers. Daarnaast heeft hij verklaard dat zijn tante hem heeft verteld dat hij twee zussen had en dat zij daarover tegen hem heeft gelogen, maar dat hij niet kan verklaren waarom zij dat heeft gedaan. Referent stelt dat hij eisers heeft opgezocht en een DNA-onderzoek heeft laten uitvoeren. De resultaten van dat onderzoek zijn door eisers verbrand uit angst voor de Taliban.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers niet hebben voldaan aan een aantal voorwaarden. De identiteit van eisers kan niet worden vastgesteld en de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast stelt de minister dat niet gebleken is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eisers.
Beoordelingskader
5. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 januari 2022 en 31 maart 2022 en de uitwerking van deze uitspraken in de Werkinstructie 2022/7 – die analoog van toepassing is op reguliere aanvragen in het kader van gezinshereniging – volgt dat de minister per individueel geval moet onderzoeken of de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen de referent en/of het gezinslid in grote lijnen als aannemelijk kan worden beschouwd, tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen. Daarbij moet de minister een integrale beoordeling maken van alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen. Hij betrekt daarbij ook alle andere relevante elementen van het desbetreffende geval. De eisen die de minister aan het geleverde bewijs stelt, moeten evenredig zijn aan die elementen. Anders dan voorheen, geldt dat de minister bovendien gemotiveerd moet beoordelen of een vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers hun identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk hebben gemaakt?
6. Eisers voeren aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat de familierechtelijke relatie tussen hen en referent niet is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt en dat hierover grote twijfels bestaan. Referent kan geen verklaring geven voor de beslissing van zijn tante om te liegen over zijn gezinssamenstelling. Van hem kan daarom niet worden verwacht dat hij kan uitleggen waarom zijn tante over de gezinssamenstelling heeft gelogen. Verder heeft referent het contact met zijn tante verbroken, waardoor hij om die reden geen aanvullende informatie van haar kan krijgen. Daarnaast verkeren eisers in bewijsnood voor wat betreft het DNA-onderzoek dat eerder zou zijn gedaan en verloren zou zijn gegaan. Eisers betogen dat de instantie die het DNA-onderzoek heeft gedaan niet langer actief is in Afghanistan. Na de machtsgreep van de Taliban zijn alle buitenlandse organisaties opgeheven of vertrokken. Eisers weten de naam van deze organisatie niet en kunnen daarom deze organisatie niet aanschrijven om de resultaten van het gestelde DNA-onderzoek te achterhalen.
Eisers hebben ter onderbouwing van de identiteit en de familierechtelijke relatie een gezinsuittreksel van de Afghanistan Central Civil Authority (ACCRA) en een verklaring van de Afghaanse ambassade over de legaliteit van het gezinsuittreksel overgelegd. Volgens de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 20 november 2024 blijkt het gezinsuittreksel niet bevoegd te zijn opgemaakt en afgegeven, omdat de opmaak en afgifte afwijkt van het voor Bureau Documenten beschikbare referentiemateriaal. Volgens de duiding van de Vakbijlage Bureau Documenten betekent dit dat het gezinsuittreksel niet afkomstig is van de bevoegde autoriteiten. Daarnaast blijkt uit de verklaring van onderzoek van 20 november 2024 dat de verklaring van de Afghaanse ambassade frauduleus is verkregen, omdat het is gebaseerd op de inhoud van het onbevoegd afgegeven en opgemaakte gezinsuittreksel. De Vakbijlage Bureau Documenten bevestigt dat ambassades per ongeluk documenten legaliseren die niet zijn uitgegeven door lokale autoriteiten omdat zij vaak niet beschikken over gedigitaliseerde bevolkingsregisters en gespecialiseerde onderzoeksapparatuur. Uit Werkinstructie 2022/7 blijkt dat een niet bevoegd opgemaakt document zeer zwaar in het nadeel van eisers in de integrale beoordeling weegt. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich daarom terecht op het standpunt dat eisers met het gezinsuittreksel en de verklaring van de Afghaanse ambassade hun identiteiten en familierechtelijke relatie met referent niet hebben aangetoond. In dat kader stelt de minister verder terecht dat getwijfeld wordt aan de paspoorten van eisers, omdat uit het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan juni 2023 blijkt dat het makkelijk is om aan valse identiteitspapieren te komen en dat er veel corruptie is rondom het verkrijgen van paspoorten en identiteitskaarten. Daarnaast volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat grote twijfels bestaan over de verklaringen van referent over zijn gezinssamenstelling. Zo werpt de minister terecht tegen dat de verklaringen van referent over de identiteit van zijn gestelde gezinsleden en zijn gezinssamenstelling tijdens het ambtelijk gehoor tegenstrijdig zijn met de verklaringen van referent tijdens zijn eerste asielgehoor. Bij de asielaanvraag heeft referent immers verklaard dat hij twee zussen, genaamd [naam zus 1] en [naam zus 2], had en dat die zijn overleden. Tijdens het ambtelijk gehoor heeft referent echter verklaard dat hij twee broers heeft, genaamd [eiser 2] en [eiser 3], en een zus, genaamd [eiseres 4]. Dat de tante van referent hem heeft voorgelogen over de gezinssamenstelling heeft de minister niet hoeven volgen, omdat eiser geen afdoende verklaring heeft gegeven over waarom zijn tante hem zou voorliegen. Uit Werkinstructie 2022/7 blijkt verder dat tegenstrijdige verklaringen over de gezinsband en het niet noemen van de gestelde gezinsleden in de asielprocedure ook in het nadeel van eisers meewegen.
Daarnaast stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het hoogst opmerkelijk is dat de resultaten van het DNA-onderzoek, welke zouden aantonen dat referent en eisers aan elkaar verwant zijn, zijn verbrand. In dat verband stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het moeilijk denkbaar is dat eisers de enige kopieën die er zijn om te kunnen aan tonen dat zij verwant zijn aan referent, zouden hebben vernietigd.
Gelet op het voorgaande stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers hun identiteiten en de familierechtelijke relatie met referent niet hebben aangetoond met bewijsstukken en niet aannemelijk hebben gemaakt met hun verklaringen. Omdat er sprake is van contra-indicaties bestond er daarnaast voor de minister geen aanleiding om eisers het voordeel van de twijfel te geven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat tussen referent en eisers geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan?
7. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte stelt dat tussen hen en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen bestaan. Eisers betogen dat de minister ten onrechte de twijfel over de inhoud van het medisch rapport aan hen tegenwerpt. Ter zitting is betoogd dat zij het idee hebben dat de minister aan referent tegenwerpt dat hij bij de psycholoog heeft gesimuleerd. De psycholoog heeft echter niet waargenomen dat sprake was van simulatie. Eisers betogen verder dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat het relaas gefingeerd is. Daarnaast wijzen eisers erop dat referent geldbedragen via Western Union en Ria naar hen heeft overgemaakt. Daarvan hebben zij transacties overgelegd. Uit deze transacties blijkt dat referent tot en met 6 januari 2021 samen zo’n €19.312,02 zou hebben overgemaakt via Western Union aan een onbekende ontvanger. Eisers betogen verder dat de minister ten onrechte geen rekening houdt met de impact die de situatie van zijn familie heeft op de gezondheid van referent. Daar komt bij dat referent in voortdurende stress leeft, slecht slaapt en overmatig prikkelbaar is. Volgens eisers heeft referent een gevoel van machteloosheid, omdat hij hen niet fysiek kan beschermen en dit leidt tot constante spanning en een groeiend gevoel van uitputting. Referent kampt daarnaast ook met fysieke klachten, zoals hoofdpijn, vermoeidheid, een verzwakt immuunsysteem, maagklachten en andere stress gerelateerde symptomen. Eisers betogen verder dat het mentaal en emotioneel zwaar is voor referent om gescheiden te zijn van de gestelde familieleden. Referent heeft daartoe een verklaring van een psycholoog overgelegd.
Tot slot betogen eisers dat het idee dat zij lijden en hij in Nederland in relatieve veiligheid leeft, een voortdurend schuldgevoel bij referent veroorzaakt. Hierdoor cijfert referent zicht weg om eisers te helpen, ook al gaat dat ten koste van het welzijn van referent.
De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige familieleden sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn.
Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De rechtbank moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de rechtbank daarom enigszins terughoudend.
Samenwoning
De rechtbank stelt vast dat eisers het standpunt van de minister – dat referent sinds zijn 3e of 4e levensjaar niet meer met hen heeft samengewoond – niet hebben betwist. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is uitgesloten dat bijkomende elementen van afhankelijkheid op afstand ontstaan na het vertrek van referent naar Nederland, maar dat dit moeilijk voorstelbaar is en minder snel zal ontstaan. Daarbij heeft de minister verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025. In dit geval heeft de minister ook relevant geacht dat eisers sinds het vertrek van referent in 2006 in Afghanistan gescheiden van elkaar leven.
Financiële afhankelijkheid
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of en in welke mate eiseres financieel afhankelijk zijn van referent voldoende zorgvuldig naar de (gestelde) situatie heeft gekeken en alle (relevante) aspecten kenbaar heeft meewogen. Zo heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de geldtransacties niet blijkt aan wie het geld is overgemaakt. Daarmee hebben eisers onvoldoende aangetoond dat de gestelde familieleden financieel afhankelijk zijn van hem.
Medische afhankelijkheid /emotionele afhankelijkheid
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat referent weliswaar fysieke en mentale klachten heeft, maar dat deze onvoldoende zijn om een dermate sterke afhankelijkheid aan te nemen tussen referent en eisers. In dit verband stelt de minister zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat aan de verklaring van de psycholoog van 16 april 2024 niet zonder meer grote waarde kan worden gehecht, omdat deze verklaring gebaseerd is op de eigen verklaringen van referent, en de minister over die verklaringen van referent twijfels heeft. Daar komt nog eens bij dat referent in het gehoor heeft verklaard dat hij niet onder behandeling staat, dat hij geen medicijnen slikt en dat hij werkt.
De vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid is een afweging van alle mogelijke omstandigheden. De minister is gelet op het voorgaande voldoende gemotiveerd tot het standpunt gekomen dat tussen referent en eisers geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister terecht geen belangenafweging gemaakt?
8. Het betoog van eisers dat de minister gehouden was een belangenafweging te maken als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, slaagt niet. Uit recente rechtspraak van de Afdeling – waaronder de richtinggevende uitspraak van 27 maart 2024 en de uitspraak van 22 oktober 2024 – volgt dat in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen grondslag bestaat voor de benadering dat de minister steeds een belangenafweging moet maken, ook als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen vreemdeling en referent. Omdat de minister zich – gelet op wat onder 7.5 is overwogen – terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referent, bestond er voor de minister geen aanleiding om een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM te maken. Daarom kunnen de beroepsgronden over de situatie van eisers in Afghanistan onbesproken blijven.
Algemene beginselen
9. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Overigens heeft eiser niet nader onderbouwd dat en waarom sprake is van een schending van die beginselen. Ook deze beroepsgronden slagen niet.
Horen
10. Eisers voeren aan dat de minister, vanwege de twijfel, hen had moeten horen. Eisers betogen dat de minister door het enkel horen van referent ten onrechte de twijfel de overhand heeft laten nemen. Volgens eisers is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat de minister in nareiszaken de vreemdelingen wel hoort.
Deze grond slaagt niet. De minister heeft zich in zijn briefverweer terecht op het standpunt gesteld dat hij referent, die eisers vertegenwoordigt, heeft gehoord en dat eisers in bezwaar niet hebben aangevoerd noch onderbouwd waarom en op welke punten de minister eisers zou moeten horen. De minister heeft derhalve terecht geen aanleiding hoeven zien om eisers te horen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.