[eiser], eiser/ verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Neazi als tolk in de taal Pashto en de gemachtigde van verweerder. De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van de echtgenote van eiser tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
4. Eiser heeft aangegeven dat zijn naam [naam 1] is en dat [naam 2] de naam van zijn stam is. Om administratieve redenen staat bovenaan deze uitspraak echter de naam waaronder eiser bij verweerder en de rechtbank staat geregistreerd.
5. Eiser is afkomstig uit Pakistan. Hij heeft in 2015 in Oostenrijk asiel aangevraagd, die aanvraag is afgewezen. In 2018 en 2023 heeft hij in Frankrijk asiel gevraagd. Die aanvragen zijn ook afgewezen. In maart 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft die aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk was voor de behandeling van eisers (opvolgende) aanvraag. Eiser is tegen dat besluit in beroep gegaan. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het beroep op 14 oktober 2025 gegrond verklaard omdat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen. Omdat de minister dat gebrek in beroep had hersteld, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit echter in stand gelaten. Eiser heeft vervolgens meegewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk. Daarna is hij weer teruggekeerd naar Nederland, waar hij op 13 november 2025 opnieuw asiel heeft aangevraagd.
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.
Bespreking van de beroepsgronden
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser heeft aangevoerd dat ten opzichte van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Na de vorige Dublin-procedure heeft eiser meegewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk. Echter, zijn derde asielaanvraag aldaar is niet in behandeling genomen en eiser heeft direct een terugkeerbesluit ontvangen, waarin stond dat hij Frankrijk weer moet verlaten. Daarna kwam hij letterlijk op straat te staan in Frankrijk. Gelet op zijn eigen ervaringen is de drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo gehaald, nu zijn aanvraag niet in behandeling is genomen en hij geen opvang heeft gehad. Het is niet waarschijnlijk dat Frankrijk nogmaals een asielaanvraag van eiser zal behandelen. Verwezen wordt ook naar het AIDA-rapport Frankrijk update 2024. Dat Frankrijk dit keer de claim niet heeft geaccepteerd vormt hiervoor een aanwijzing. Eiser verwacht dat Frankrijk hem terug zal sturen naar Pakistan, waar hij gevaar loopt.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 ook het AIDA-rapport update 2024 betrokken. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen reden om hierover anders te oordelen dan de Afdeling of om tot het oordeel te komen dat eisers asielaanvraag nu niet in behandeling zal worden genomen door Frankrijk. In het AIDA-rapport update 2024 staat namelijk expliciet dat er geen maximum is aan het aantal herhaalde aanvragen dat kan worden ingediend. Mocht eiser toch problemen ervaren met het indienen van een herhaalde aanvraag, dan stelt verweerder terecht dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, is er geen ruimte in de Dublinprocedure om te onderzoeken of er bij overdracht aan Frankrijk een risico is op indirect refoulement is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder de aanvraag aan zich zou moeten trekken, omdat de vrouw van eiser in 2023 uit Pakistan naar Nederland is gereisd en hier asiel heeft aangevraagd. Haar aanvraag is wel in de nationale procedure is opgenomen. Anders dan in de vorige procedure van eiser (zie onder 5) wordt het huwelijk tussen hen nu wel geloofwaardig geacht door verweerder. Eiser en zijn vrouw hebben geen toekomst in Frankrijk, omdat voor zijn vrouw een Dublinclaim naar Nederland zal worden gedaan.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheden in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft in dit kader niet onterecht overwogen dat de Dublinprocedure niet bedoeld is voor gezinshereniging, maar dat hiervoor andere procedures openstaan. Daarnaast heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat artikelen 9 en 10 van de Dublinverordening niet van toepassing zijn in het geval van een terugname, zoals hier. Daargelaten of het gezinsleven geloofwaardig wordt geacht heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat het huwelijk onvoldoende is om de aanvraag aan zich te trekken. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid kunnen betrekken dat eiser al tien jaar in Europa is, waar hij in meerdere lidstaten asiel heeft aangevraagd en heeft zijn vrouw op 1 maart 2025 pas asiel aangevraagd in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.12414:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.12415:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.