RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1980
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
1. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat er nog een asielprocedure loopt. Daarnaast wijst eiser op zijn medische omstandigheden. Hij wil hiervoor graag een dokter zien.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat er voldoende gronden bestaan die de maatregel van bewaring te kunnen dragen, waardoor een onttrekkingsrisico kan worden aangenomen. Daarnaast is artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000 de juiste wettelijke grondslag om een vreemdeling die nog in een asielprocedure zit in bewaring te nemen. Op grond van deze bepaling kan een vreemdeling ook in bewaring worden gesteld in de situatie dat hij in afwachting is van de beslissing op zijn asielaanvraag en (daardoor) rechtmatig verblijf heeft. Verder heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende toegelicht dat de medische situatie van eiser niet maakt dat aan hem een lichter middel opgelegd moet worden. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Hierbij is ook van belang dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij is onderzocht door een arts en dat hij medicijnen heeft gekregen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.