RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26987
V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 13 mei 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2026 (in de zaak NL26.9191) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat niet op dossierniveau wordt gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten voor de afgifte van een laissez passer. Volgens eiser mag dat vanwege de duur van de bewaring wel verwacht worden.
3. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat alleen in het geval van bijzondere omstandigheden op dossierniveau wordt gerappelleerd. In eisers geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De enkele duur van de bewaring van eiser – aangevangen op
2 februari 2026- is op zichzelf onvoldoende voor een ander oordeel. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder binnen de hier te beoordelen periode op 12 maart 2026, 2 april 2026 en 23 april 2026 schriftelijk bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd. Ook hebben op 9 maart 2026, 8 april 2026 en 4 mei 2026 vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder volstaan met de hierboven genoemde handelingen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. De rechtbank ziet op dit moment ook geen aanleiding om eiser te horen ten aanzien van de mogelijkheden tot een doeltreffend lichter middel. Voor dit oordeel is van belang dat eiser tot nu toe in de met hem gevoerde vertrekgesprekken geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die erop wijzen dat een lichter middel alsnog doeltreffend kan worden toegepast. Het is eerst aan eiser om, als hij meent dat dergelijke feiten en omstandigheden er zijn, deze eerst aan verweerder kenbaar te maken. Verweerder kan dan een afweging maken of een lichter middel inderdaad kan worden toegepast. Eerst daarna kan de rechtbank hier desgewenst een oordeel over geven.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.