4. ECLI:NL:RBDHA:2024:22125.
Beroep gericht tegen het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit (NL24.9227)
Ontvankelijkheid
Het oordeel van de rechtbank
5 Eiser heeft in zijn bericht van 7 november 2025 niet gespecificeerd wanneer de breuk zich heeft voorgedaan.
Privéleven
15. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers in Nederland uitgeoefende privéleven geen reden is om aan hem een verblijfsvergunning te verlenen.
16. De minister heeft in het bestreden besluit in het kader van de belangenafweging betrokken dat eiser op 16 juni 2022, op negentienjarige leeftijd, naar Nederland is gekomen, dat hij is ingeschreven voor een opleiding in Nederland, dat hij hier heeft gewerkt, dat hij als vertaler heeft geholpen bij de opvang waar hij verblijft en dat hij in zijn periode hier sociale contacten heeft opgedaan, zoals de Oekraïense vrouw en anderen. De minister heeft dit in het voordeel van eiser meegewogen. De minister heeft in het nadeel van eiser meegewogen dat eiser niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad, zodat sprake is van een eerste toelating. Verder is betrokken dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een objectieve belemmering om privéleven in Turkije op te bouwen. Ook heeft de minister betrokken dat eiser pas op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen, hij in Turkije naar school is gegaan, hij de taal spreekt en het grootste deel van zijn leven in Turkije geeft gewoond. Niet is aannemelijk gemaakt dat alle banden met familie en vrienden daar zijn verbroken. Ook is niet gebleken dat eiser niet ook in Turkije kan werken, een opleiding kan volgen, opnieuw sociale contacten kan aangaan en zijn contacten in Nederland vanuit het buitenland kan onderhouden via telefoon, internet of (korte) bezoeken. Ook heeft de minister in het nadeel van eiser betrokken dat de duur van eisers verblijf relatief beperkt is en eiser zijn privéleven in die periode heeft opgebouwd terwijl zijn verblijfsrecht onzeker was, omdat hij slechts tijdelijke bescherming had en niet in het bezit was van een verblijfsvergunning.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alle relevante omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van de weging van de belangen van eiser bij het uitoefenen van het recht op privéleven en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, niet in het voordeel van eiser uitvalt. De rechtbank vindt dat de minister daarbij, anders dan eiser betoogt, de aard van eisers verblijfsrecht heeft mogen betrekken. Dit verblijfsrecht op grond van de RTB is tijdelijk, zodat het voor eiser duidelijk was dat het onzeker was of hij zijn verblijf en zijn uitgeoefende privéleven hier zou kunnen voortzetten. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde terugkeerbesluiten
18. Op 29 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft op 6 september 2023 besloten een bevriezingsmaatregel te treffen waardoor eiser gebruik kon blijven maken van zijn rechten op grond van de RTB en uiteindelijk heeft de minister het besluit van 29 augustus 2023 ingetrokken, waarna ook het beroep is ingetrokken.
19. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een nieuw
terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met het onderhavige zaaknummer NL24.9227. Een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep is toegewezen.
20. Op 4 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
21. Op 17 september 2025 heeft de minister het besluit van 4 augustus 2025 weer ingetrokken en eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Dit laatste besluit is inhoudelijk vrijwel geheel identiek aan het besluit van 4 augustus 2025. Het enige verschil is dat in het besluit van 17 september 2025 aan eiser wordt toegestaan om, totdat er een uitspraak is in de beroepszaak, in Nederland te blijven werken en gebruik te maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen.
22. Het terugkeerbesluit van 17 september 2025 vervangt de terugkeerbesluiten van 4 augustus 2025 en 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit nieuwste terugkeerbesluit.
23. Omdat de minister de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van die besluiten. De rechtbank zal het beroep tegen die besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 33.
Het standpunt van eiser in beroep
24. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met zijn recht op privéleven in Nederland. Eiser heeft namelijk een lopende beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verblijf op grond van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast stelt eiser dat de minister zijn asielaanvraag op onrechtmatige wijze buiten behandeling heeft gesteld. Volgens eiser mocht de minister zijn asielaanvraag niet buiten behandeling stellen, omdat hij het vragenformulier niet ingevuld retour heeft gestuurd. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025.6 Verder stelt eiser dat de minister – in lijn met het arrest Ararat7 – bij het opleggen van een terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement in acht moet nemen. In zijn zienswijze stelt eiser dat hij redenen heeft om terugkeer naar Turkije te vrezen, omdat hij daar de militaire dienstplicht moet vervullen en geregistreerd staat als dienstplichtontduiker. Hij verwijst daarbij specifiek naar paragraaf 9.2 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025. Volgens eiser heeft de minister met alleen een verwijzing naar de asielprocedure geen actuele beoordeling van het risico op non-refoulement gemaakt.
25. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het
6. ECLI:NL:RVS:2025:1999.
Het beginsel van non-refoulement
7 Zie het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
Hof) van 19 december 20248 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 20259 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn).
Privéleven en de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag
26. Zoals de rechtbank onder de rechtsoverwegingen 15 tot en met 17 heeft geoordeeld, is terugkeer van eiser niet in strijd met zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
27. Ook het gegeven dat de asielaanvraag van eiser bij besluit van 29 augustus 2023 buiten behandeling is gesteld en het beroep op de Afdelingsuitspraak van 7 mei 2025, staan niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg. Eiser heeft namelijk geen beroep ingesteld tegen het besluit waarin zijn asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, zodat dit besluit in rechte vast staat. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan van die formele rechtskracht worden afgeweken. Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd en overigens ook niet gebleken. De beroepsgronden slagen niet.
28. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025.10 Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
29. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit van 17 september 2025 onvoldoende blijk van een geactualiseerde refoulementbeoordeling in de zin van het arrest Ararat. Naar aanleiding van het voornemen is in de zienswijze gesteld dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. Hiertoe voert hij - onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Turkije van 2025 en een bijgevoegde registratie – aan dat hij in Turkije is geregistreerd als dienstplichtontduiker. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser in zijn zienswijze onvoldoende heeft
8. ECLI:EU:C:2024:1038
Conclusie en gevolgen
9 ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
10 ECLI:NL:RVS:2025:4178.
onderbouwd waarom hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije en in de asielprocedure nader wordt ingegaan op de persoonlijke omstandigheden in het kader van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt dat de minister hiermee niet heeft voldaan aan de beoordeling zoals hiervoor onder 28 is beschreven, nu in essentie wordt volstaan met een verwijzing naar de asielprocedure. De rechtbank wijst in dit verband naar punten 40 en 41 van het arrest Ararat, waarin het Hof heeft overwogen dat van een vreemdeling niet verlangd mag worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, zodat het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
30. De rechtbank constateert echter dat de minister in het verweerschrift nader is ingegaan op de door eiser aangevoerde omstandigheden. De minister heeft zich ter zake op het standpunt gesteld dat hij niet volgt dat eiser een dienstplichtontduiker is en als zodanig in Turkije bekendstaat. Hierbij wijst de minister erop dat eiser enkel een kopie heeft overgelegd van een melding op zijn telefoon, waaruit bovendien niet blijkt dat deze melding daadwerkelijk van de Turkse overheid afkomst is. Ook heeft de minister gesteld dat in het bericht alleen de naam van eiser voorkomt zonder verdere persoonsgegevens en dat de datum van het bericht en eventuele eerdere of latere berichten onbekend zijn. Daarnaast heeft de minister in het verweerschrift gesteld dat het enkele feit dat eiser een dienstplichtontduiker zou zijn of niet in militaire dienst wil, niet voldoende is voor de conclusie dat een risico bestaat op refoulement, nu uit het ambtsbericht over Turkije van 2025 blijkt dat de dienstplicht kan worden afgekocht. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat het niet nakomen van de dienstplicht in Turkije op een discriminerende of onevenredige manier wordt bestraft. Tegen deze nadere motivering heeft eiser verder geen gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alsnog een deugdelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt en hieruit blijkt dat het beginsel van non-refoulement niet aan het terugkeerbesluit in de weg staat. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 17 september 2025 in stand kunnen worden gelaten.
Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ (NL25.26379)
31. Het beroep tegen het besluit van 16 mei 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beroep tegen het terugkeerbesluit (NL24.9227)
32. Het beroep tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit van 17 september 2025 is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen laat de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 30 is overwogen, in stand.
33. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het
beroepschrift tegen het besluit van 17 september 2025 en 1 punt voor het beroepschrift voor het ingetrokken besluit van 7 februari 2024 met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
34. Met deze uitspraak vervallen alle getroffen voorzieningen hangende beroepen tegen de opgelegde terugkeerbesluiten van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
Beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ‘humanitair niet-tijdelijk’ (NL25.26379)
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beroep tegen het terugkeerbesluit (NL24.9227)
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.