ECLI:NL:RBDHA:2026:14503

ECLI:NL:RBDHA:2026:14503

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer NL25.27786 NL25.60542
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ is gegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de aangevoerde omstandigheden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid opleveren. Het beroep gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER is gegrond. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat referent zodanig afhankelijk is van eiser dat hij zich in Nederland zonder zijn aanwezigheid niet zelfstandig kan handhaven en daarom samen met hem de Europese Unie zou moeten verlaten.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiser. Eiser is het in de eerste plaats niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) met zijn stiefvader (referent). Op de tweede plaats is eiser het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER, waaruit een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VwEU blijkt. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten niet in stand kunnen blijven. Eiser heeft dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1985 en heeft de Surinaamse nationaliteit. De minister heeft op 31 mei 2023 een (toeristen)visum aan eiser verstrekt. Eiser verblijft sinds 5 juni 2023 in Nederland. Eiser wenst in Nederland bij zijn stiefvader te verblijven om voor hem te kunnen zorgen vanwege zijn gezondheidsklachten. De stiefvader van eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1948 en heeft de Nederlandse nationaliteit.

4. Eiser heeft op 18 juli 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 oktober 2024 (primair besluit I) afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit I en daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en de voorlopige voorziening zijn bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL25.27786 respectievelijk NL25.27788.

5. Eiser heeft op 25 juni 2025 een aanvraag ingediend voor afgifte van een EU/EER verblijfsdocument. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 17 juli 2025 (primair besluit II) afgewezen. Met het bestreden besluit 12 november 2025 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit II en daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en de voorlopige voorziening zijn bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL25.60542 respectievelijk NL25.60543.

6. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

7. De rechtbank heeft de beroepen (NL25.27786 en NL25.60542) op 12 februari 2026, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en referent, vergezeld door dhr. [A.] , werkzaam als sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij [instelling] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank zal eerst bespreken of eiser kan worden vrijgesteld van het griffierecht. Daarna zal de rechtbank weergeven wat het standpunt van de minister in de besluiten is en wat eiser in beroep daartegen heeft aangevoerd. Vervolgens zal de rechtbank eerst het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ bespreken (NL25.27786). Vervolgens zal de rechtbank het beroep gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER bespreken (NL25.60542).

Vrijstelling griffierecht

9. Eiser heeft in beide beroepen verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.

De bestreden besluiten

10. De minister heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’ met het primaire besluit I afgewezen, omdat niet is voldaan aan het mvv-vereiste als bedoeld in artikel 17 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister heeft geen vrijstelling verleend van het mvv-vereiste als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Volgens de minister is geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent. Eiser en referent zijn namelijk allebei meerderjarig en volgens de minister is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen. Volgens de minister is er ook geen reden om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen met toepassing van de hardheidsclausule, omdat geen sprake is van onredelijke hardheid of schrijnendheid (paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire). Tenslotte heeft de minister geen aanleiding gezien om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen. De minister heeft bij het primaire besluit I een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken, gericht op vertrek naar Suriname, opgelegd aan eiser.

11. In het bestreden besluit I handhaaft de minister zijn primaire standpunt dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en referent zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Subsidiair stelt de minister dat, als toch van familieleven wordt uitgegaan, de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Het belang van de Nederlandse overheid bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid weegt in dat geval zwaarder dan het belang van eiser.

12. De minister heeft ook de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER met het primaire besluit II afgewezen. Volgens de minister is namelijk geen sprake van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent zoals bedoeld in het arrest K.A van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018. De minister handhaaft dit standpunt in het bestreden besluit II.

Het standpunt van eiser in de beroepen

13. Eiser voert aan dat tussen hem en referent wel sprake is van bijkomende afhankelijkheidselementen in de zin van artikel 8 van het EVRM, dan wel van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A. van het Hof. Hij stelt dat hij dagelijks 24 uur zorgt voor referent omdat de gezondheid van referent kwetsbaar is. Zo lijdt referent onder meer aan schizofrenie. Vanwege de schizofrenie is het volgens eiser belangrijk dat de zorg wordt verricht door een bekend en vertrouwd persoon. Hierbij verwijst eiser ook naar de verklaring van de psychiater van [instelling] van 16 januari 2025, waaruit volgens eiser blijkt dat referent niet zonder de zorg van eiser kan. In dit verband vindt eiser dat de algemene verwijzing van de minister naar reguliere zorg onvoldoende is. Omdat eiser bij referent woont, is hij de hele dag beschikbaar om voor hem te zorgen. Dat eiser samenwoont met referent blijkt ook uit zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen op het adres van referent. Volgens eiser toont hun omgang eveneens aan dat zij samenwonen. Daarnaast stelt eiser dat hij financieel afhankelijk is van referent, wat volgens hem het gevolg is van de noodzakelijke zorg die hij voor referent verleent. Hierbij beroept eiser zich op het arrest Martinez Alvarado van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 december 2024. Volgens eiser volgt uit dit arrest dat de minister exclusieve afhankelijkheid niet als voorwaarde mag stellen. Verder stelt eiser dat hij inmiddels sterkere banden heeft met Nederland, omdat hij een intensieve relatie heeft met referent en zijn moeder ook in Nederland woont. De minister heeft de bijkomende afhankelijkheidselementen naar de mening van eiser niet in onderlinge samenhang bezien, terwijl dit wel is vereist. Hierbij wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024.

14. Verder wijst eiser op de passage in het bestreden besluit van 27 mei 2025, waar de minister toch een belangenafweging maakt voor het geval wel familieleven wordt aangenomen. Volgens eiser moet de minister een nieuw besluit nemen en alsnog een belangenafweging maken, omdat sprake is van familieleven tussen hem en referent. Daarnaast heeft eiser in het kader van de belangenafweging een beroep gedaan op het arrest Olgun van het EHRM van 10 mei 2012. Eiser stelt dat hij heeft aangetoond dat zijn zorg onmisbaar is, en, net als in dat arrest, moet de persoonlijke betrokkenheid van eiser prevaleren boven de door de minister voorgestelde zorgalternatieven.

NL25.27786: familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM

Het juridische kader

15. De rechtbank overweegt dat familieleven tussen (niet jongvolwassen) meerderjarigen wordt aangenomen in de zin van artikel 8 van het EVRM als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het moet volgens de rechtspraak van het EHRM gaan om bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke familiebanden overstijgen. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Ook de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond kunnen van belang zijn. De minister heeft dit ook in het Informatiebericht 2024/57 (IB 2024/57) vastgelegd.

16. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De rechtbank moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de rechtbank daarom enigszins terughoudend.

Het oordeel van de rechtbank

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de aangevoerde omstandigheden geen bijkomende elementen van afhankelijkheid opleveren. De rechtbank kan de minister daarom niet volgen in het standpunt dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.

Samenwonen

18. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en referent het grootste deel van hun leven niet hebben samengewoond en dat dit in het nadeel van eiser wordt meegeteld. De minister heeft echter niet betrokken waarom eiser en referent samenwonen. Eiser heeft hierover verklaard dat hij bij referent is gaan wonen, omdat hij voor referent wilde zorgen. Door het samenwonen kan eiser namelijk de noodzakelijke zorg aan referent bieden. Ook heeft de minister in zijn besluitvorming geen rekening gehouden met het intensieve contact tussen hen; het is niet zo dat eiser en referent alleen gezamenlijk op hetzelfde adres wonen, zij brengen ook het grootste deel van de dag samen door en doen veel samen. Daarmee geven zij op een intensieve manier invulling aan het samenwonen. Uit de brief van [instelling] van 20 juni 2024 blijkt dat eiser inwonend is bij referent om 24 uur per dag bereikbaar te zijn, hem te ondersteunen bij activatie en zelfzorg, en ervoor te zorgen dat referent zijn (somatische) medicatie op tijd inneemt, zodat opname in een verpleeghuis wordt voorkomen. Ook hieruit blijkt dat door het verlenen van zorg het samenwonen op een intensieve manier wordt ingevuld. De minister dient deze omstandigheden te betrekken in zijn besluitvorming.

19. De rechtbank merkt daarnaast op dat uit IB 2024/57 volgt dat van belang is hoe de situatie nu is, hoe die was voordat referent het land van herkomst verliet, hoe lang eiser en referent daar samen hebben gewoond, en dat rekening gehouden moet worden met de periode waarin zij gescheiden zijn geweest. De rechtbank begrijpt dan ook dat de minister de duur van het samenwonen meeweegt. De minister lijkt met zijn motivering dat eiser en referent het grootste deel van hun niet met elkaar hebben samengewoond ook aan te sluiten bij het IB 2024/57, waarin staat dat hoe langer men gescheiden woont, hoe minder snel de samenwoning als bijkomend element van afhankelijkheid wordt aangenomen. Met de enkele stelling dat eiser en referent het grootste deel van hun leven niet hebben samengewoond, gaat de minister echter voorbij aan het feit dat eiser voor het eerst in Nederland met referent is gaan samenwonen en dat zij vanaf juni 2023 tot aan het moment van het bestreden besluit met elkaar samenwonen. Het IB 2024/57 lijkt zich daarentegen te richten op een situatie waarin een vreemdeling is achtergebleven en referent naar Nederland is vertrokken. In het IB 2024/57 staat immers dat rekening moet worden gehouden met hoe lang referent en betrokkene gescheiden zijn geweest voorafgaand aan het indienen van de aanvraag en wat de reden van de scheiding was. Ook staat er dat hoe langer men in het land van herkomst heeft samengewoond, hoe sneller dit als bijkomend element van afhankelijkheid kan worden aangenomen. Anders dan waarvan het IB 2024/57 lijkt uit te gaan, woonden eiser en referent voorheen niet samen, maar wonen zij op het moment van de besluitvorming juist wel samen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de minister deze omstandigheid meewegen en in aanmerking nemen dat een dergelijke situatie kan wijzen op afhankelijkheid. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat de band tussen hem en referent al was opgebouwd vóór zijn komst naar Nederland. Hoewel de minister met juistheid erop wijst dat eiser dit voor het eerst tijdens de zitting bij de rechtbank aanvoert, had de minister hierover tijdens de ambtelijke hoorzitting door kunnen vragen. De rechtbank benadrukt hierbij dat het gaat om een relatie tussen zoon en stiefvader, waardoor het niet onlogisch is dat er al eerder een band tussen hen bestond.

Mate van financiële afhankelijkheid

20. De minister neemt aan dat eiser financieel afhankelijk is van referent, maar stelt dat de financiële steun door referent ook op afstand aan eiser kan worden voortgezet. Daarnaast wijst de minister erop dat eiser bij terugkeer naar Suriname weer kan gaan werken en zo in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen, omdat niet duidelijk is welke betekenis de minister toekent aan de financiële afhankelijkheid en hoe hij de financiële ondersteuning op afstand concreet voor zich ziet. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij vanwege de noodzakelijke zorg die hij dagelijks aan referent verleent financieel afhankelijk is en daarom bij referent inwoont. De rechtbank merkt op dat zij op dit moment dus samen één huishouden vormen en de kosten daarvan delen. Volgens de minister heeft referent ook geld overgemaakt naar eiser en kan hij dit ook op afstand blijven doen. Het is de rechtbank echter niet duidelijk of referent geld heeft overgemaakt om eiser financieel te ondersteunen of dat dit geld ziet op uitgaven die eiser heeft gedaan ten behoeve van de gezamenlijke huishouding. Dat referent eiser financieel zou ondersteunen los van de gezamenlijke huishouding, is niet duidelijk gebleken. Ook is niet duidelijk of referent eiser op afstand financieel zou kunnen ondersteunen als zij geen gezamenlijke huishouding meer zouden vormen. Uit de besluitvorming blijkt niet dat de minister heeft meegewogen welke gevolgen een eventuele beëindiging van het huishouden bij terugkeer van eiser naar Suriname met zich meebrengt. Het standpunt van de minister, dat eventuele toekomstige financiële ondersteuning op afstand kan plaatsvinden, gaat bovendien eraan voorbij dat dit niet in de weg hoeft te staan aan de conclusie dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.

21. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister ten onrechte niet bij het bestreden besluit kenbaar heeft betrokken dat eiser financieel afhankelijk is van referent vanwege de zorg die hij aan referent verleent. Eiser heeft immers gesteld dat hij fulltime voor referent zorgt en daarom niet in staat is om te werken en op die manier in zijn eigen inkomen te voorzien. De minister heeft erop kunnen wijzen dat eiser bij terugkeer naar Suriname weer kan gaan werken zoals hij voorheen ook in Suriname heeft gedaan. Dit neemt echter niet weg dat in de huidige situatie eiser financieel afhankelijk is van referent vanwege de zorg die hij aan referent verleent.

22. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het bestreden besluit niet heeft benoemd hoe hij de financiële afhankelijkheid weegt bij zijn beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. De minister heeft niet benoemd of het aspect financiële afhankelijkheid in het nadeel of het voordeel van eiser weegt, en hoeveel gewicht hij daaraan toekent. Dat had de minister wel moeten doen.

23. De rechtbank merkt verder op dat in zaken zoals deze sprake is van een zogeheten ex tunc-toetsing. Dit betekent dat de rechtbank het besluit alleen kan beoordelen aan de hand van de situatie op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Eiser heeft in beroep een document ingebracht, waaruit blijkt dat referent sinds 1 oktober 2025 een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt voor maximaal 32 uur zorg per week, geleverd door eiser. De minister heeft dit pgb niet kunnen betrekken bij de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, omdat deze omstandigheid dateert van na het bestreden besluit. Gelet op de ex tunc-toets kan deze omstandigheid dan ook niet bij het beroep worden betrokken.

Gezondheid van betrokkene en de mate van materiële (praktische) afhankelijkheid

24. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat referent afhankelijk is van eiser, maar dat referent ook beroep kan doen op de aanwezige medische zorg in Nederland. Volgens de minister kan referent thuiszorg inschakelen, waardoor hij niet exclusief afhankelijk is van de hulp van eiser. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Uit de besluitvorming blijkt niet of thuiszorg voor referent voldoende en passende zorg biedt. De rechtbank wijst hierbij op de brief van een psychiater van [instelling] van 16 januari 2025. Uit deze brief blijkt dat eiser 24-uurszorg verleent aan referent, waarbij zijn mantelzorg een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van reguliere thuiszorg, onder meer doordat eiser ook buiten reguliere werktijden zorg kan bieden. Daarnaast blijkt uit de brief dat referent zonder de hulp van eiser permanent in een verpleeghuis zou moeten verblijven. Niet is gebleken dat de minister de brief van 16 januari 2025 kenbaar heeft betrokken in zijn besluitvorming. Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat referent al langdurig psychiatrische problematiek heeft, met levenslange schizofrenie. Voordat eiser naar Nederland kwam, was er een zorgmachtiging die ook meerdere keren is verlengd en heeft referent meerdere crisis- en ziekenhuisopnames ondergaan, doordat destijds tijdige hulp uitbleef en referent niet in staat was zelf hulp in te schakelen. Tijdens de zitting heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige dat ook toegelicht. Ook heeft hij toegelicht dat deze situatie inmiddels is verbeterd: de toestand is stabiel, met minder stress en beperkt ziektebesef, en referent is dankzij de ondersteuning van eiser beter therapietrouw geworden. Hieruit kan volgens de rechtbank worden afgeleid dat de medische situatie van referent is verbeterd sinds eiser dagelijks betrokken is. Ook heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige tijdens de zitting toegelicht dat, als eiser niet bij referent zou wonen, er weer crisisopnames zullen ontstaan. Referent zal niet zelfstandig kunnen blijven wonen en zal uiteindelijk naar een verpleeghuis moeten. Het zal volgens de sociaal psychiatrisch verpleegkundige moeilijk zijn om een passende plek te vinden voor referent, omdat hij zowel psychiatrische als somatische klachten heeft. De rechtbank merkt op dat dit ook uit het dossier, met name de verklaring van 16 januari 2025 van de psychiater, naar voren komt. De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet dat de minister dit kenbaar heeft betrokken. Het bestreden besluit meldt alleen dat referent te maken heeft met ‘meerdere gezondheidsklachten’ waaronder nierklachten en een hartritmestoornis, en gaat alleen in op ‘thuiszorg’ en ‘reguliere zorg’, maar niet op verpleegzorg of de psychiatrische klachten van referent. Het is de rechtbank niet duidelijk of de minister met ‘meerdere gezondheidsklachten’ en ‘reguliere zorg’ uitsluitend doelt op de somatische klachten van referent en op de praktische zorg die eiser biedt zoals hulp bij het innemen van medicatie, boodschappen, koken en schoonmaken. Uit het bestreden besluit blijkt niet duidelijk dat de minister ook de psychiatrische problematiek van referent heeft betrokken bij zijn beoordeling van de medische situatie en de mate van praktische afhankelijkheid.

25. Met betrekking tot het beroep van eiser op het arrest Martinez Alvarado van het EHRM, overweegt de rechtbank dat uit dit arrest onder meer volgt dat de betrokkene continue zorg nodig heeft en daarvoor afhankelijk is van zijn familie. Het EHRM benadrukt dat voor het aannemen van bijkomende elementen niet vereist is dat de betrokkene vanwege zijn beperkingen exclusief afhankelijk is van zijn familie. Verder merkt de rechtbank op dat uit het arrest blijkt dat de aanwezigheid van familieleden en faciliteiten die de zorg kunnen bieden, relevant is bij de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven. De minister heeft in deze zaak echter onvoldoende gemotiveerd dat de reguliere zorg in Nederland passend is en dat er daadwerkelijk voorzieningen aanwezig zijn voor de zorg die eiser momenteel aan referent verleent. De minister had in dit kader ook moeten meewegen hoe lang eiser al voor referent zorgt en dat dit ziet op zorg voor zowel somatische als psychiatrische klachten van referent. In zoverre slaagt het beroep van eiser op het arrest Martinez Alvarado.

26. De minister heeft zich in het bestreden besluit ook op het standpunt gesteld dat referent ervoor kan kiezen met eiser naar Suriname te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee niet duidelijk heeft gemaakt wat dit volgens hem betekent voor de gestelde afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eiser. Bovendien is niet duidelijk dat de door referent benodigde zorg ook in Suriname voor hem beschikbaar en toegankelijk is. De minister heeft dit in het bestreden besluit niet nader toegelicht. Daardoor heeft de minister zijn standpunt niet deugdelijk gemotiveerd.

27. In het verlengde hiervan heeft de minister zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de kwaliteit van leven geen rol speelt. De rechtbank merkt hierover op dat hetgeen zij hiervoor heeft overwogen evenmin is betrokken bij de beoordeling van het element emotionele afhankelijkheid. Gezien het juridische kader onder rechtsoverweging 15 moet de minister de emotionele afhankelijkheid wél meenemen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat referent tijdens de zitting heeft verklaard blij te zijn met eiser en dat hij graag wil dat eiser bij hem blijft en voor hem zorgt. Eiser zelf heeft toegelicht dat hij graag voor referent zorgt, dat hij emotioneel betrokken is en niet alleen praktische hulp biedt. De verklaring van eiser dat hij in 2023 op een toeristenvisum naar Nederland is gekomen en is gebleven vanwege de gezondheid van referent en zijn moeder, wijst daar ook op. Ook heeft eiser erop gewezen dat zij al vóór de komst van eiser naar Nederland een band hadden opgebouwd. Deze omstandigheden heeft de minister niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken.

28. Eiser heeft in de beroepen verder gewezen op het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. De rechtbank begrijpt dat eiser dit naar voren brengt, aangezien uit het akkoord blijkt dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen met mantelzorg. Dat neemt echter niet weg dat de minister zijn beoordeling moet baseren op het toepasselijke juridische kader. Het verwijzen naar het Hoofdlijnenakkoord verandert daarom niets aan het antwoord op de vraag of er tussen eiser en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Voor zover eiser betoogt dat het hoofdlijnenakkoord een rol kan spelen bij de weging van het economisch belang van de Nederlandse samenleving, merkt de rechtbank op dat dit pas aan de orde kan komen als er familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat en de minister in dat kader moet afwegen of het (economisch) belang van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij een verblijfsvergunning.

Banden met het land van herkomst

29. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, die 37 jaar in Suriname heeft gewoond, bekend is met de taal, cultuur en gebruiken van zijn land van herkomst. De minister benadrukt dat eiser in Suriname is opgegroeid, daar zijn middelbare school heeft afgerond en meerdere banen heeft gehad. Omdat eiser beschikt over voldoende diploma’s en werkervaring, zou hij in Suriname opnieuw werk kunnen vinden. Dat het leven van eiser al langere tijd op Nederland is gericht, komt voor risico van eiser omdat hij geen verblijfsrecht had. Om die reden weegt de minister ook in het nadeel van eiser mee dat hij geen inspanningen heeft verricht om terug te keren naar Suriname.

30. De rechtbank stelt op de eerste plaats vast dat uit het dossier blijkt dat de moeder en de stiefvader (referent) van eiser in Nederland wonen. Op de tweede plaats constateert de rechtbank dat eiser, anders dan vaak het geval is, al in Nederland bij referent verblijft. De minister heeft dit niet onderkend, terwijl dit wel relevant kan zijn voor de beoordeling van de banden met het land van herkomst en het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiser stelt dat hij daardoor nu juist banden heeft met Nederland en niet zozeer met Suriname. De band die eiser nu heeft, is immers dat hij in Nederland woont bij referent en dagelijks voor hem zorgt. Deze situatie verschilt van die waarin een vreemdeling nog in zijn land van herkomst verblijft en daardoor niet op dezelfde wijze invulling kan geven aan zijn banden met Nederland. Dat kan van invloed zijn op hoe de banden met het land van herkomst wegen en of er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen een vreemdeling en een referent. De rechtbank ziet niet dat de minister hiermee rekening heeft gehouden bij het beoordelen van de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank merkt hierbij op dat het in dit stadium nog niet gaat over een belangenafweging, maar uitsluitend over de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen directe familieleden meer heeft in Suriname. De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet terug op welke wijze de minister dit heeft meegewogen bij zijn beoordeling van de banden met het land van herkomst.

31. De rechtbank overweegt verder dat de minister in het bestreden besluit een afweging heeft gemaakt die past bij een situatie waarin het familieleven al is aangenomen (pagina 5 van het bestreden besluit). De beoordeling die de minister had moeten maken, is echter of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. In zoverre volgt de rechtbank niet de tegenwerping dat het in het nadeel van eiser moet worden meegewogen dat hij geen inspanningen heeft verricht om naar Suriname terug te keren, terwijl hij niet in onzekerheid verkeerde over zijn verblijfsstatus. Ook volgt de rechtbank niet de tegenwerping van de minister dat het voor risico van eiser is dat hij zijn leven al geruime tijd op Nederland heeft ingericht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te begrijpen waarom dit in het nadeel van eiser weegt. Dergelijke omstandigheden lijken immers juist eerder te passen bij een situatie waarin er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn.

Beoordeling in samenhang

32. De minister heeft in het bestreden besluit I niet bij alle feiten en omstandigheden genoemd of deze wijzen op het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid of juist niet. In het bestreden besluit I staat soms (bij samenwonen) dat het in het nadeel weegt, maar de minister heeft dit niet bij alle feiten en omstandigheden gedaan. De minister heeft bijvoorbeeld bij de medische klachten volstaan met de conclusie dat referent niet exclusief afhankelijk is van de hulp van eiser wat betreft zijn medische klachten. Daardoor is niet steeds inzichtelijk of de minister vindt of bepaalde feiten en omstandigheden in het voordeel of in het nadeel wegen wat betreft de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft ook niet tot slot een afweging gemaakt van alle feiten en omstandigheden in samenhang. In het bestreden besluit I staat niet hoe de minister de verschillende feiten en omstandigheden ten opzichte van elkaar weegt of welke feiten en omstandigheden voor de minister zwaarder wegen dan andere feiten en omstandigheid.

Conclusie: bijkomende elementen van afhankelijkheid

33. Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Gelet op de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 27 maart 2024 is dat wel vereist. Gelet hierop heeft de minister dan ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom er geen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat tussen eiser en referent. Het beroep is alleen al daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit I vernietigen (NL25.27786).

Belangenafweging

34. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat de minister (opnieuw) een belangenafweging moet maken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 volgt namelijk dat de minister geen belangenafweging hoeft te maken als er geen familie- en gezinsleven bestaat tussen betrokkenen. De gemachtigde van eiser heeft dat tijdens de zitting ook erkend. In dit geval heeft de minister geen familie- en gezinsleven aangenomen tussen eiser en referent, maar toch een belangenafweging gemaakt voor het geval toch familieleven moet worden aangenomen. Dat had dus niet gehoeven. Anders dan eiser betoogt, is het ook niet per definitie noodzakelijk dat de minister (opnieuw) een belangenafweging verricht. Wat eiser hierover aanvoert, slaagt niet.

NL25.60542: verblijfsrecht op grond van artikel 20 VwEU

35. De rechtbank overweegt dat uit het arrest K.A. van het Hof volgt dat een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 van het VwEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid die burger van de Unie is. In dit arrest is toegelicht dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VwEU kan bestaan. Dit geldt wanneer een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden, en de Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan de derdelander geen verblijfsrecht wordt toegekend. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken.

36. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het bestreden besluit II op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezige zorg in Nederland ertoe leidt dat referent niet zodanig afhankelijk is van de hulp van eiser wat betreft de medische situatie, zoals bedoeld in het arrest K.A van het Hof. Verder verwijst de minister in zijn besluitvorming ten aanzien van artikel 8 van het EVRM naar het hierboven besproken bestreden besluit I, en concludeert opnieuw dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat referent zodanig afhankelijk is van eiser dat hij zich in Nederland zonder zijn aanwezigheid niet zelfstandig kan handhaven en daarom samen met hem de Europese Unie zou moeten verlaten. De minister heeft immers onvoldoende gemotiveerd dat referent, ook met de aanwezige zorg in Nederland, zonder de hulp en zorg van eiser zelfstandig zou kunnen functioneren. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen onder rechtsoverweging 24 en 25, waarin zij heeft geoordeeld dat uit de besluitvorming van de minister niet blijkt dat thuiszorg voor referent voldoende en passende zorg biedt. Daarnaast heeft de sociaal psychiatrisch verpleegkundige tijdens de zitting verklaard dat referent zonder de hulp van eiser (gedwongen) opgenomen zou moeten worden in een 24-uursinstelling, terwijl het vanwege de beperkte beschikbaarheid van plaatsen en de beperkte somatische zorg binnen gesloten psychiatrische afdelingen niet eenvoudig is om iemand met ernstige psychiatrische problematiek daar te plaatsen.

38. Verder is in dit verband van betekenis dat de rechtbank onder overwegingen 17 tot en met 33 heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het is daarom aan de minister om zijn standpunt ten aanzien van de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM nader te motiveren en vervolgens te beoordelen welke gevolgen dit heeft voor de besluitvorming over het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VwEU. De rechtbank zal daarom ook het bestreden besluit II vernietigen (NL25.60542).

Conclusie en gevolgen

39. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank zal de bestreden besluiten I en II vernietigen, omdat deze in strijd zijn met artikel 7:12 van de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk heeft, maar dat wil niet zeggen dat eiser ook recht heeft op de door hem gevraagde verblijfsvergunning. Het is namelijk aan de minister om opnieuw op de bezwaren te beslissen, waarbij de minister rekening moet houden met deze uitspraak. De minister zal onder meer eerst opnieuw moeten beoordelen of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Bij die weging heeft de minister een bepaalde beoordelingsruimte. Wanneer hij familie- en gezinsleven aanneemt op grond van artikel 8 van het EVRM, zal de minister opnieuw een belangenafweging moeten maken. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

40. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

41. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepsschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I van 27 mei 2025 en het bestreden besluit II van 12 november 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 maart 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand