ECLI:NL:RBDHA:2026:14505

ECLI:NL:RBDHA:2026:14505

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer NL25.63899 en NL25.63900
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel, Algerije, identiteit en problemen met schoonfamilie vanwege huwelijk niet geloofwaardig. Beroep ongegrond, geloofwaardigheidsbeoordeling niet in strijd met Unierecht, referentiekader voldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling, identiteit onvoldoende met documenten onderbouwd en inconsistent verklaard over waar die documenten zijn, aliasgebruik niet als zelfstandig ongeloofwaardigheidsargument maar integraal betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R. Radema).

uitspraak

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.63899 (beroep)

NL25.63900 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser],

geboren op [geboortedag] 2000, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser), (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Eiser heeft op 2 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 29 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.1 Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.

De minister heeft op 8 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister was hierbij aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten om te controleren of eiser wellicht nog in detentie zat en om die reden niet in staat was op de zitting te verschijnen.

2. De rechtbank sluit het onderzoek, nu niet is gebleken dat eiser in detentie zit.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

3. Eiser heeft - kort samengevat - het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Vanaf 2017 of 2018 had eiser een relatie met [naam] , wier vader tot een gevaarlijk bende behoorde. Na meerdere keren door haar familie te zijn bedreigd, is eiser in 2022 onder dwang met [naam] getrouwd. Tijdens hun huwelijk hielden de bedreigingen aan. Zijn schoonfamilie gaf hem namelijk de schuld van de dood van de zoon van [naam] . Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden door de bende van de vader van [naam] .

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met zijn schoonfamilie vanwege zijn huwelijk met [naam] .

De minister vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en hij heeft daar geen goede verklaring voor.2 Ook vormen de verklaringen van eiser over zijn identiteit geen samenhangend en aannemelijk geheel.3 Eisers gestelde problemen met zijn schoonfamilie vanwege zijn huwelijk met [naam] vindt de minister ook niet geloofwaardig. Verder heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor.4 Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd5 omdat hij onder andere een alias heeft opgegeven. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft6 of een reëel risico op ernstige schade loopt7 bij terugkeer naar Algerije. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij de minister heeft misleid over zijn identiteit8 en hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was9. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en

een inreisverbod van twee jaar opgelegd.10

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert - kort samengevat - het volgende aan. Allereerst stelt eiser dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals vastgelegd in Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) in strijd is met het Unierecht. Ten onrechte heeft de minister de prejudiciële verwijzingsuitspraken11 hierover naast zich

neergelegd. Ook heeft de minister artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn12 niet kenbaar toegepast door het ontbreken van documenten als doorslaggevend negatief element te gebruiken. Daarnaast heeft de minister bij de beoordeling niet kenbaar rekening gehouden met eisers referentiekader. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eisers consistente verklaringen over het ontbreken van identiteitsdocumenten niet verschoonbaar zijn. Ook is niet gemotiveerd waarom het feit dat eiser in Frankrijk een alias heeft gebruikt in deze procedure zwaar weegt. De minister heeft de aanvraag niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond nu eisers aanvraag een complexe zaak betreft. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen individuele beoordeling heet gemaakt bij de oplegging van het inreisverbod.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

De geloofwaardigheidsbeoordeling

7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 202513 en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het Unierecht is.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit in het specifieke geval van eiser niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke verklaringen volgens hem niet of onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken. Ook blijkt niet dat de minister de asielmotieven alleen ongeloofwaardig vindt omdat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd. De minister heeft namelijk gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 (stap 2b van WI 2024/6). Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is voldaan, heeft de minister de asielmotieven niet geloofwaardig gevonden. Het ontbreken van documenten is dus niet als doorslaggevend negatief element gebruikt.

Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?

8. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling niet kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt

staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

gesteld dat er weliswaar geen aparte paragraaf in het besluit is opgenomen waaronder eisers referentiekader uiteen is gezet, maar dat hier in de besluitvorming wel rekening mee is gehouden. De rechtbank overweegt hierover dat uit het besluit niet meteen blijkt van welk referentiekader de minister uitgaat. Toch levert dat in dit geval geen motiveringsgebrek op. In het voornemen heeft de minister immers uitgelegd op welke wijze de gehoormedewerker rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. En bij de beoordeling heeft de minister bij verschillende tegenwerpingen toegelicht waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij pogingen had ondernomen om aan documenten te komen of dat hij over bepaalde onderwerpen consistent had verklaard.14 Daarbij komt dat eiser niet heeft onderbouwd hoe de omstandigheid dat hij in detentie zat en pijnmedicatie slikt, zijn vermogen om te verklaren heeft beïnvloed. Door niet te verschijnen op de zitting heeft eiser ook niet nader onderbouwd en concreet gemaakt op welke concrete punten in de besluitvorming onvoldoende rekening zou zijn gehouden met zijn referentiekader.

Mocht de minister eisers identiteit ongeloofwaardig vinden?

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers identiteit ongeloofwaardig mogen vinden. Zo heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Daarbij overweegt de rechtbank dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en zoveel mogelijk met documenten te onderbouwen. Dat eiser in detentie zat en daarom niemand uit Algerije kon bereiken om aan de documenten te komen, heeft de minister niet als verschoonbare reden hoeven aanmerken. Uit deze stelling volgt, zonder nadere motivering, niet dat dit voor eiser onmogelijk is geweest. Immers blijkt hieruit niet dat hij inspanningen heeft verricht om contact te krijgen met familieleden, ook niet nadat hij in januari dit jaar is vrijgelaten.

Voor zover eiser aanvoert dat hij consistent heeft verklaard over waar de documenten zijn, volgt de rechtbank dit betoog niet. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zijn identiteitskaart en zijn paspoort bij de politie zijn.15 Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter gesteld dat de documenten bij [naam] liggen.16 Wanneer eiser met deze tegenstrijdigheden wordt geconfronteerd, verklaart hij dat [naam] alles bij de politie heeft ingeleverd nadat zij hem had aangegeven.17 Van deze verklaringen over de documenten heeft de minister dan ook mogen vinden dat deze wisselend zijn.

In beroep voert eiser aan dat de minister de aliasregistratie in Frankrijk ten onrechte als zwaarwegend ongeloofwaardigheidsargument gebruikt. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dat het gebruik van een alias in een irreguliere migratiecontext niet ongebruikelijk is, wordt door de minister erkend, maar dat neemt naar het oordeel van de rechtbank nog niet weg dat eiser door de alias de minister heeft misleid over zijn identiteit. Daarbij vindt de rechtbank het van belang dat eiser bovendien ook geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit onderbouwen. De minister heeft het gebruik van een alias als bijkomend argument betrokken bij de integrale beoordeling, en niet, zoals eiser stelt, als zelfstandig ongeloofwaardigheidsargument.

Mocht de minister de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?

10. Eiser betoogt dat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat er, gelet op de complexiteit van zijn dossier, geen sprake kan zijn van de kwalificatie 'kennelijk'. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft aan de kwalificatie kennelijk ongegrond ten grondslag gelegd dat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.18 De door eiser aangevoerde omstandigheden nemen niet weg dat de minister toepassing heeft mogen geven aan de in artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden. Bovendien heeft eiser de specifieke tegenwerpingen niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond voldoende heeft onderbouwd.

Heeft de minister de individuele omstandigheden voldoende betrokken bij de oplegging van het inreisverbod?

11. Zoals in rechtsoverweging 10 is overwogen, heeft de minister de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. In dat geval dient de minister op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ook een inreisverbod uit te vaardigen. De door eiser aangevoerde individuele omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende betrokken bij de oplegging van het inreisverbod. De minister heeft deze omstandigheden namelijk betrokken in het kader van de beoordeling van eisers asielrelaas en die beoordeling heeft uiteindelijk geleid tot de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.

13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

18 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en h, van de Vw 2000.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.63899:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.63900:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand