[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Inleiding
In het besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In 2019 is hij naar Oekraïne gegaan om een masteropleiding te volgen. Vanwege de inval door Rusland in Oekraïne is eiser in 2022 naar Nederland gekomen. Op 12 augustus 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Vervolgens heeft hij tijdelijke bescherming gekregen zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG. Deze bescherming is inmiddels door verweerder beëindigd, maar zolang deze procedure loopt mag eiser gebruik blijven maken van zijn huidige rechten.
2. Op 19 en 20 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2015 heeft meegedaan aan een demonstratie tegen de oppositiepartij en dat hij vervolgens door deze partij is bedreigd. Ook heeft eiser verklaard dat in 2016 zijn dorp [plaats] is aangevallen door Fulani-herders. Dit is een nomadisch volk dat de islamitische religie aanhangt. Volgens eiser had deze aanval te maken met zijn christelijke geloof. Verder heeft eiser verklaard dat hij in 2017 gedurende een week ontvoerd is geweest en door de daders is bestolen en in elkaar is geslagen. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser opnieuw te zullen worden vervolgd door zowel de overheid als de Fulani-herders.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder de door eiser gestelde aanval van de Fulani-herders geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen vanwege zijn betrokkenheid bij de demonstratie en dat hij is ontvoerd, omdat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd en omdat hij hierover geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Volgens verweerder bestaat er geen aanleiding om eiser een asielvergunning te verlenen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Fulani-herders staat, en omdat de situatie voor christenen in Nigeria daarvoor niet voldoende is onderbouwd.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij goed heeft uitgelegd waarom hij geen documenten heeft kunnen overleggen. Ook voert hij aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Hierop wordt hierna verder ingegaan. Verder voert eiser aan dat hij zijn vrees voor de Fulani-herders persoonlijk aannemelijk heeft gemaakt gelet op zijn leidende rol binnen de christelijke gemeenschap van zijn dorp.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU), overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.
6. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd over de demonstratie. Eiser heeft verklaard dat er wel bewijsstukken waren, maar dat hij zich daarvan heeft ontdaan toen hij naar het buitenland ging. Verweerder heeft dit niet ten onrechte niet plausibel geacht, aangezien eiser volgens zijn eigen verklaringen na de demonstratie nog vier jaren in Nigeria is gebleven zonder deze bewijsstukken weg te maken zodat niet valt in te zien waarom hij dit eerst kort voor vertrek alsnog zou hebben gedaan.
7. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eisers verklaringen over de demonstratie niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiser kan worden gevolgd in zijn stelling dat het mogelijk is om zonder samenspraak met een politieke partij mee te doen aan een demonstratie. Dit laat echter onverlet dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn precieze betrokkenheid bij de demonstratie. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij niet betrokken was bij de organiserende partij, maar anderzijds dat hij intensief bezig was met het mede organiseren van de demonstratie. Daarnaast heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij slechts op vermoedens kan baseren dat hij tijdens de demonstratie is geïdentificeerd door oppositieleden. Verder heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn gestelde onderduiken. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij de autoriteiten in de periode na de demonstratie vermeed, maar anderzijds dat hij zijn studie heeft afgerond, dat hij vervolgens is gaan werken, dat hij daarvoor regelmatig moest reizen en dat hij vanuit zijn kerk actief betrokken was bij evangelisatie en concerten van het koor. De tegenwerping van verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij de autoriteiten heeft vermeden heeft eiser niet bestreden en blijft om die reden overeind.
8. Verweerder heeft daarnaast ook niet ten onrechte overwogen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de ontvoering. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over het afschrijven van geld van zijn bankrekening door de ontvoerders. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij zeven dagen ontvoerd is geweest en dat er maximaal 110.000 naira per dag kon worden afgeschreven, en anderzijds dat er in totaal 1.100.000 naira is afgeschreven. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling in beroep dat er ook na de ontvoering nog bedragen werden afgeschreven, aangezien hij gelet op pagina 36 van het rapport van gehoor heeft verklaard dat de ontvoering werd beëindigd vanwege het ontvangen van het losgeld. Verder heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over hoe hij na de ontvoering naar de stad is gereisd. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij is afgezet op een punt waar hij een auto zou vinden, en anderzijds dat hij geld van de ontvoerders meekreeg om de bus te nemen. Eisers stelling in beroep dat dit is terug te voeren op een vertaalfout tijdens het gehoor heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft verweerder het niet ten onrechte niet plausibel geacht dat eiser van de ontvoerders die hem kort daarvoor geld afhandig hadden gemaakt geld zou meekrijgen.
9. Nu de door eiser gestelde problemen vanwege de demonstratie en de ontvoering niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, heeft eiser zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor de autoriteiten niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in de persoonlijke negatieve aandacht staat van de Fulani-herders. De omstandigheden dat deze groep overwegend islamitisch is en dat eiser een leidende rol had binnen zijn lokale christelijke kerk zijn daarvoor onvoldoende. Hierbij heeft verweerder terecht betrokken dat er een grote christelijke gemeenschap is in Nigeria en dat de door eiser benoemde aanval van de Fulani-herders volgens zijn verklaring gericht was op de gemeenschap als geheel.
10. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
11. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.