ECLI:NL:RBDHA:2026:14509

ECLI:NL:RBDHA:2026:14509

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 21/6908 en 21/6910
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Geen rechtmatig verblijf als Unieburger. Middelen uit illegale arbeid wegen niet mee in de beoordeling. Onvoldoende aannnemelijk gemaakt dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres], eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 21/6908 en AWB 21/6910

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. H.A. de Graaf),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van verweerder waarin wordt vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ook vraagt zij om een voorlopige voorziening. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vaststelling van verweerder klopt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Met het besluit van 27 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als Europees gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft of heeft gehad op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Met het besluit van 19 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Op 7 april 2022 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank, deze zittingsplaats. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar toenmalige gemachtigde mr. M.E. Zweers. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. S. Deniz. Daarnaast zijn [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], en [naam 5] ter zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Op 7 april 2022, na afloop van de zitting, heeft verweerder aanvullende stukken ingebracht. Op 23 augustus 2022 heeft eiseres aanvullende stukken ingediend. Om die reden heeft de rechtbank het onderzoek in de zaken heropend.

Op 4 mei 2026 heeft de rechtbank de zaken opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de huidige gemachtigde van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder deelgenomen. Ook was mr. M.E. Zweers aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht

3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank stelt eiseres in beide procedures vrij van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Wat ging er aan deze procedure vooraf?

4. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1964 en heeft de Zwitserse nationaliteit. Zij heeft zich sinds 22 mei 1987 in Nederland gevestigd. Eiseres heeft ruim 31 jaar in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien door illegale arbeid te verrichten als zelfstandige straatprostituee. Op een gegeven moment kon zij het werk niet langer volhouden. Zij voelde zich genoodzaakt om een uitkering aan te vragen op grond van de Participatiewet. Verweerder is naar aanleiding van de uitkering een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres.

Verweerder heeft met het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad als Unieburger op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Volgens verweerder volgt uit Suwinet dat zij geen arbeid als zelfstandige heeft verricht, wat betekent dat zij geen rechtmatig verblijf heeft als werknemer of zelfstandige. Straatprostitutie is een vorm van illegale arbeid, en inkomsten uit illegale arbeid kunnen niet meetellen in de toets of eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiseres is om die reden ook nooit economisch actief geweest. Daar komt bij dat eiseres het bestaan en het bedrag van deze middelen ook niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft verder overwogen dat eiseres ook geen rechtmatig verblijf heeft als werkzoekende, omdat eiseres niet solliciteert. Evenmin heeft eiseres rechtmatig verblijf als economisch niet-actieve Unieburger, omdat zij niet heeft kunnen onderbouwen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt of heeft beschikt. Ook is niet gebleken dat eiseres op andere gronden van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad.

Inmiddels is gebleken dat aan eiseres, na de bestreden beslissing, een vergunning is verleend voor verblijf bij haar partner [naam 1] met ingang van 20 maart 2022 en gelding tot 30 maart 2027. Dat brengt mee dat verwijdering uit Nederland niet meer aan de orde is.

Mogen de inkomsten uit illegale arbeid meewegen in de beoordeling of eiseres over voldoende middelen beschikt?

Eiseres is het niet eens met de conclusie van verweerder dat haar werkzaamheden en inkomsten als straatprostituee door verweerder niet worden meegewogen in de beoordeling of zij als Unieburger dient te worden aangemerkt. Met verwijzing naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), betoogt eiseres dat het begrip “inkomsten” een autonoom Unierechtelijk concept is en dat uit de jurisprudentie van het Hof volgt dat inkomsten uit illegale arbeid wel degelijk mee tellen in de toets of een Unieburger voldoende middelen van bestaan heeft in de zin van artikel 7, sub b, van de Verblijfsrichtlijn. Daarnaast heeft eiseres een duurzaam verblijfsrecht opgebouwd op grond van artikel 16, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, omdat zij 5 jaar lang onafgebroken rechtmatig in Nederland is verbleven.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres arbeid heeft verricht als straatprostituee. In geschil is of eiseres haar inkomsten uit illegale arbeid kunnen meewegen in de beoordeling of zij over voldoende middelen (heeft) beschikt, en of dit voldoende is onderbouwd, zodat zij rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8.12, eerste lid, sub b, van het Vb.

De rechtbank is van het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres gegenereerde inkomsten uit haar illegale arbeid als straatprostituee niet kunnen meewegen in de beoordeling of zij al dan niet over voldoende middelen beschikt. Deze inkomsten zijn namelijk niet op een rechtmatige wijze verkregen en kunnen daarom niet gelden als middelen van bestaan in de beoordeling of eiseres rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad op grond van artikel 8.12, eerste lid, sub b, van het Vb. Het betoog van de gemachtigde van eiseres dat uit latere jurisprudentie van het Hof volgt dat bij de vaststelling van het middelenvereiste mede de inkomsten van illegale arbeid meetellen, is niet onderbouwd. De verwijzing naar het arrest X tegen de Belgische Staat gaat niet op, omdat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met de situatie in dit arrest. Dit arrest ziet immers op de toekenning van de status van langdurig ingezeten en in dit verband het inkomstenvereiste van artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2003/109. Bovendien is in punt 35 van het arrest overwogen dat het (Unierechtelijk) begrip ‘inkomsten’ in de zin van Richtlijn 2003/109 een andere strekking heeft dan die in de Verblijfsrichtlijn 2004/38. De verwijzing naar het arrest Bajratari gaat evenmin op, alleen al omdat in dit geval geen aanvraag is ingediend door een minderjarige Unieburger maar door een meerderjarige.

De rechtbank overweegt verder dat zelfs wanneer de inkomsten van eiseres uit de illegale arbeid zouden worden meegenomen in de beoordeling, dit geen aanleiding geeft om te oordelen dat zij rechtmatig verblijf heeft (gehad) op grond van artikel 8.12, eerste lid, sub b, van het Vb. Door eiseres is namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat inkomsten die zij gedurende die jaren uit haar illegale arbeid heeft verworven, voldoende middelen van bestaan waren. De rechtbank heeft onvoldoende inzage gekregen in het geldbedrag dat eiseres in deze periode verdiende en op welke wijze dit bedrag voldoende was om rond te komen. Deze grond slaagt niet.

Heeft verweerder mogen afzien van het horen in bezwaar?

Eiseres voert ook aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door haar niet te horen in de bezwaarfase.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van het horen in bezwaar. Dat eiseres heeft aangegeven op de hoorzitting te willen uitwijden over haar verblijfplaats tijdens haar BRP uitschrijvingen, maakt dit niet anders. Omdat het bezwaarschrift geen aanleiding gaf om nadere vragen te stellen, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in stand blijft. Omdat hiermee is beslist op het beroep, bestaat er geen reden meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder AWB 21/6908,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder AWB 21/6910,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand