RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.27788 en NL25.60543
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Procesverloop
Bij het besluit van 27 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van verzoeker dat ziet op de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM’, afgewezen als ongegrond.
Bij het besluit van 12 november 2025 (bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van verzoeker dat ziet op de afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 VwEU, afgewezen als ongegrond.
Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Hij heeft verder de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, samen met de behandeling van NL25.27786 en NL25.60542, op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL25.27786 en NL25.60542, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de verzoeken om een voorlopige voorziening aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Omdat verzoeker geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 maart 2026.