RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer 1],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48370
[eiser 1] , v-nummer: [nummer 2],
[eiser 2] , v-nummer: [nummer 3],
[eiser 3] , v-nummer: [nummer 4],
eisers,
(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet voldoende heeft gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [referente] (referente) heeft op 21 juli 2021 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ van eisers bij referente.
Op 25 augustus 2022 heeft de minister besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Eisers hebben daartegen op 12 september 2022 bezwaar gemaakt.
Referente heeft op 14 november 2022 nogmaals een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ van eisers bij referente.
Op 21 november 2023 heeft de minister het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag van 21 juli 2021 gegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.
Met het (primaire) besluit van 8 december 2023 heeft de minister de aanvraag van 14 november 2022 afgewezen.
Eisers hebben op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de minister verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep tegen het besluit van 8 december 2023. De minister heeft met de mail van 7 februari 2024 aangegeven daarmee akkoord te zijn.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle heeft vervolgens bij uitspraak van 13 mei 2024 het beroep van eisers tegen de besluiten van zowel 21 november 2023 als 8 december 2023 gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
De minister heeft het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 21 november 2023 en 8 december 2023 bij besluit van 8 november 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De achtergrond van de aanvraag
3. Referente is geboren op [geboortedag] 2002. Referente en eisers hebben allemaal de Eritrese nationaliteit. Eisers zijn de moeder, de meerderjarige broertjes en het minderjarige zusje van referente. Na haar vlucht uit Eritrea heeft referente nog een tijd in Egypte verbleven. Referente heeft in 2020 bij de Verenigde Naties verzocht om hervestiging, welk verzoek datzelfde jaar werd goedgekeurd. De overkomst van referente naar Nederland heeft door de coronacrisis vertraging opgelopen. Referente heeft op 4 december 2020 in Nederland haar asielaanvraag gedaan welke op dezelfde dag is ingewilligd.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen. De minister legt aan die afwijzing ten grondslag dat niet is gebleken van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen referente en haar broertjes en zusje. Tussen hen is volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden. De minister neemt wel gezinsleven aan tussen referente en haar moeder, maar volgens de minister valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de moeder van referente uit.
Is sprake van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar broertjes/zusje?
Referente en haar broertjes
5. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 13 mei 2024 in rechte vaststaat dat tussen referente en haar broertjes geen sprake is van hechte persoonlijke banden, omdat daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Eisers betogen daartoe dat zij geen belang hadden bij hoger beroep, nu het bestreden besluit door de rechtbank toch al was vernietigd. Eisers kan daarom niet worden verweten dat zij tegen dat onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep hebben ingesteld.
Het betoog van eisers slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat als in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. De beroepsgronden die eiser in deze procedure hebben aangevoerd met betrekking tot de vraag of sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar broertjes zijn in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 13 mei 2024 reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Als eiser dit oordeel hadden willen aanvechten dan hadden zij, anders dan zij betogen, in hoger beroep moeten gaan, wat zij niet hebben gedaan. De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde rechtspraak van de Afdeling gehouden om van de juistheid van dit oordeel van de rechtbank uit te gaan.
Referente en haar zusje
6. De minister heeft in het bestreden besluit, anders dan in het besluit van 8 december 2023, beoordeeld of tussen referente en haar zusje sprake is van hechte persoonlijke banden, omdat het zusje van referente ten tijde van de aanvraag nog minderjarig was. Volgens de minister is daar geen sprake van.
7. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar zusje. De minister hecht volgens eisers teveel waarde aan de omstandigheid dat volgens hem de omgang niet de gebruikelijke banden ontstijgt. Dit is volgens eisers geen vereiste; hechte persoonlijke banden kunnen volgens eisers ook blijken uit andere omstandigheden zoals samenwoning. Eisers wijzen erop dat referente op haar 11e moest stoppen met school en haar zusje en broertjes moest verzorgen en zorg moest dragen voor het huishouden. Referente moest met haar zorgtaken stoppen vanwege haar vlucht en ziet haar zusje als haar eigen kind. Referente is verder altijd met eisers in contact gebleven en biedt hen financiële ondersteuning.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 november 2013 (Vasquiez t. Zwitserland) volgt dat tussen meerderjarige en minderjarige broers of zussen familie- of gezinsleven kan bestaan als sprake is van hechte persoonlijke banden. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de vraag of er sprake is van hechte persoonlijke banden een kwestie van feitelijke aard is. Uit Werkinstructie (WI) 2020/16 volgt voorts dat de minister tussen overige bloed- en aanverwanten enerzijds en minderjarige kinderen anderzijds familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanneemt als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Uit de werkinstructie volgt verder dat samenwonen kan duiden op hechte persoonlijke banden maar ook het hebben frequent contact zonder samenwoning. In geval van minderjarige kinderen en overige bloed en- aanverwanten is volgens de werkinstructie vereist dat de omgang tussen hen de gebruikelijke omgang ontstijgt.
Het betoog van eisers slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar zusje en dat tussen hen daarom geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister wijst er terecht op dat referente sinds haar vlucht en haar aankomst in Nederland naar eigen zeggen geen contact meer heeft gehad met haar zusje. De minister werpt eisers verder niet ten onrechte tegen dat het zusje van referente primair tot het gezin van moeder behoort en dat referente sinds haar vertrek uit Eritrea, wat ruim zeven jaar geleden is, niet meer met haar zusje heeft samengewoond en ook geen feitelijke zorgtaken meer voor haar heeft verricht. Daarbij komt dat het gezinsleven van het zusje van referente zich vanaf de vlucht van referente concentreert rondom hun moeder, waarmee het zusje en haar broertjes nu in Egypte samenwonen en waar het zusje van referente nu de nodige taken in het gezin verricht. Referente en haar zusje hebben sinds de vlucht van referente afzonderlijk invulling gegeven aan hun levens. Dat referente haar zusje mist, haar op afstand financieel steunt, dat zij via videobellen contact hebben met elkaar en dat zij elkaar berichten sturen is gangbaar en duidt eveneens niet op hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang ontstijgen. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor zover er al op enig moment in het verleden, toen referente met haar zusje nog samenwoonde in Eritrea sprake was van hechte persoonlijke banden, daar geen sprake van is na de vlucht van referente.
Heeft de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van de moeder van referente laten uitvallen?
8. De minister stelt zich onbetwist op het standpunt dat referente valt onder het jongvolwassenenbeleid, en dat daarom sprake is van gezinsleven tussen haar en haar moeder. De minister heeft daarom een belangafweging gemaakt. De rechtbank geeft eerst (kort) de belangenafweging van de minister weer en bespreekt daarna waar relevant de gronden die eisers tegen deze belangenafweging heeft gericht.
De belangenafweging
De minister stelt zich op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse Staat zwaarder wegen dan de belangen van eisers bij het uitoefenen van familie- en gezinsleven in Nederland.
De minister weegt in het voordeel van eisers mee dat sprake is van gezinsleven tussen referente en haar moeder. De aard en intensiteit van het gezinsleven weegt de minister echter in het nadeel mee van eisers, omdat referente ruim zeven jaar niet meer met haar moeder in gezinsverband heeft samengewoond en omdat niet is gebleken dat referente in haar dagelijks leven en op emotioneel gebied niet kan functioneren zonder de aanwezigheid van haar moeder in Nederland. Volgens de minister is het voor referente en haar moeder ook mogelijk om het gezinsleven op afstand voor te zetten. Dat referente daarvan naar eigen zeggen psychische klachten ondervindt als gevolg van het gemis van haar moeder, maakt dat volgens de minister niet anders. Ook is volgens de minister niet gebleken van medische afhankelijkheid van de moeder van referente, omdat de gestelde gezondheidsklachten van haar moeder niet zijn onderbouwd en omdat niet is gebleken dat haar moeder in Egypte geen medische zorg kan krijgen. De minister wijst erop dat ook eventuele financiële steun op afstand plaats kan vinden. Verder wijst de minister erop dat referente van 2017 tot 2020 geen contact heeft gehad met haar moeder en dat niet wordt ingezien waarom het contact zoals referente dat nu heeft met haar moeder op die manier niet kan worden voortgezet. Referente heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar moeder voor dit contact naar Nederland moet komen. De minister wijst ook op rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat in het kader van het jongvolwassenenbeleid gewicht mag worden toegekend aan de mate waarin de betreffende jongvolwassene zelfstandig is. De minister wijst erop dat referente haar inburgeringslessen heeft afgerond, zelfstandig woont en dat zij probeert te werken en probeert om een opleiding te doen. Deze omstandigheden wegen volgens de minister in het nadeel van referente.
De minister weegt licht in referente haar voordeel mee dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. De reden dat de minister deze omstandigheid slechts licht in het voordeel van referente weegt is omdat de moeder van referente niet langer in Eritrea woont maar inmiddels in Egypte. Volgens de minister kan referente haar moeder in Egypte opzoeken.
De minister weegt niet in referente haar nadeel mee dat zij een sterke band heeft met Eritrea, omdat ten aanzien van Eritrea een objectieve belemmering bestaat. Wel weegt de minister in het nadeel van de moeder van referente mee dat haar moeder haar hele leven in Eritrea heeft gewoond en dus sterke banden heeft met dat land. Dat zij nu in Egypte woont doet daaraan volgens de minister niet af. Bovendien is volgens de minister niet gebleken dat de moeder van referente zich niet kan handhaven in Egypte, en dat de moeder van referente geen hulp zou kunnen krijgen van referente haar inmiddels meerderjarige zus. De minister weegt daarom in referente haar nadeel mee dat haar moeder banden heeft met Egypte.
De minister weegt in het nadeel van referente mee dat, alhoewel referente enige binding heeft met Nederland, haar moeder geen binding heeft met Nederland.
De minister stelt zich voorts op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die in het voordeel van referente zouden moeten meewegen. Dat referente is gevlucht en dat zij door de vertraging die tijdens het traject bij de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) heeft plaatsgevonden, inmiddels meerderjarig was ten tijde van haar aankomst in Nederland is volgens de minister geen bijzondere omstandigheid, omdat het moment van de asielaanvraag van referente het peilmoment is voor de vraag of referente een nareisaanvraag had kunnen indienen.
Ten aanzien van de belangen van de Nederlandse Staat heeft de minister zwaar in het nadeel meegewogen dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid heeft. Ook heeft de minister in het nadeel van referente meegewogen dat ze niet beschikt over voldoende eigen middelen van bestaan, dat zij gebruikt maakt van publieke middelen en dat het aannemelijk is dat haar moeder bij aankomst daar ook gebruik van zal moeten maken. Voorts heeft de minister in het nadeel van referente meegewogen dat zij in een gedeelde accommodatie woont en dat zij daarom niet over voldoende huisvesting beschikt om haar moeder te huisvesten.
Het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel
9. Eisers betogen dat de belangenafweging die de minister heeft gemaakt in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel. Eisers voeren daartoe aan dat als de situatie omgekeerd zou zijn en als de moeder van referente in Nederland zou zijn en zij een aanvraag zou doen voor haar (meerderjarige) dochter, een belangenafweging niet nodig zou zijn doordat zij zou vallen onder de bepalingen voor nareis. Eisers betogen verder dat de minister met deze omstandigheid in het kader van de belangenafweging rekening had moeten houden. Eisers zijn immers vluchtelingen en daarom had volgens eisers aansluiting moeten worden gezocht bij de doelstellingen achter het nareisbeleid. Eisers verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024.
10. Het betoog van eisers slaagt niet. De situatie die eisers schetsen, van een moeder met een meerderjarig kind dat afhankelijk van haar is die om nareis vraagt is een feitelijk en ook juridisch andere situatie dan die van een meerderjarig kind dat vraag om nareis voor haar moeder. In dat tweede geval speelt het criterium afhankelijkheid immers geen zelfstandige rol, terwijl dat bij de nareisaanvraag door een ouder met (afhankelijke) meerderjarige kinderen wel zo is. De rechtbank wijst erop dat als referente minderjarig zou zijn, haar moeder wel onder de voorwaarden die gelden voor nareis naar Nederland zou kunnen komen.De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat het geen gelijke gevallen betreft. De minister stelt zich met betrekking tot het betoog van eisers over het evenredigheidsbeginsel eveneens terecht op het standpunt dat eisers geen concrete feiten of omstandigheden hebben aangevoerd die duiden op een onevenredige uitkomst. De rechtbank volgt daarom ook niet de verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024.
De motivering van de belangenafweging
11. Eisers betogen verder dat de minister in de belangenafweging onvoldoende (kenbaar) de omstandigheden waaronder het gezinsleven is aangenomen, heeft betrokken bij de beoordeling. De minister heeft onvoldoende betrokken dat sprake was van een onvrijwillige scheiding en van een vluchtsituatie. Eisers wijzen erop dat referente al in januari van 2020, toen referente nog 17 jaar oud was, een hervestigingsgehoor bij de UNHCR in Egypte heeft gehad en dat hervestiging naar Nederland werd goedgekeurd. De reis naar Nederland werd echter uitgesteld door de uitbraak van COVID-19. Uiteindelijk is referente naar Nederland gekomen en heeft zij op 4 december 2020, toen ze meerderjarig was, een asielaanvraag ingediend, die op dezelfde dag is ingewilligd. Doordat de minister de datum van de asielaanvraag leidend heeft geacht kon referente geen nareis aanvragen. De minister had deze omstandigheid volgens eisers in de belangenafweging in het voordeel van eisers en referente moeten meewegen; referente was op de datum van het hervestigingsgehoor immers nog minderjarig, terwijl toen al duidelijk was dat zij naar Nederland zou komen. Eisers betogen verder dat de minister hen ook niet mag tegenwerpen dat tussen referente en haar moeder al langere tijd geen gezinsleven bestaat, omdat de besluitvormingsprocedure erg lang heeft geduurd en referente vanzelfsprekend ouder en zelfstandiger is geworden. De minister had binnen drie maanden na 21 juli 2021, de datum van de aanvraag voor een mvv, moeten beslissen. Deze gang van zaken doet volgens eisers afbreuk aan het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Referente betoogt in dit kader dat de minister zich niet heeft mogen beroepen op de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024. Referente betoogt verder dat zij niet inziet waarom de minister bij de belangenafweging dezelfde elementen betrekt die ook een rol spelen bij de vraag of tussen referente en haar moeder bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden bestaan. Op de zitting heeft referente daarover verklaard dat de minister op grond van het jongvolwassenenbeleid al gezinsleven heeft aangenomen tussen haar en haar moeder en dat de minister de aard en intensiteit van het gezinsleven daarom niet meer aan referente mag tegenwerpen in de belangenafweging.
Verder betogen eisers dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met de objectieve belemmering voor eisers om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, nu zij die mogelijkheid niet hebben ten aanzien van Eritrea, maar ook niet in Egypte omdat zij daar geen verblijfsrecht hebben. Dat referente op bezoek zou kunnen in Egypte is niet voldoende, omdat hiermee bescherming van het beschermingswaardig gezinsleven onvoldoende is geborgd. Eisers wijzen op rechtspraak van het EHRM waaruit blijkt dat aan de objectieve belemmering steeds meer gewicht toekomt naarmate de tijd vordert. In dit kader heeft de minister volgens eisers de banden met hun land van herkomst ook ten onrechte in hun nadeel meegewogen nu sprake is van een objectieve belemmering en een ‘certain degree of hardship’. Verder betogen eisers dat hun binding met Egypte niet relevant is, omdat zij daar illegaal verblijven. Er is volgens eisers geen sprake van reële banden of zicht op rechtmatig verblijf. De binding van eisers met Nederland is feitelijk sterker nu referente daar verblijft en een leven probeert op te bouwen. Eisers wijzen er verder op dat de minister van referente op het gebied van het economisch belang niet het onmogelijke mag verwachten bij het voorzien in onderhoud van haar familie gezien haar leeftijd en achtergrond. Referente wijst daartoe op een uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024. Van belang is volgens eisers dat referente heeft aangegeven juist stress te ervaren als haar moeder weg is en dat de aanwezigheid van de moeder van referente obstakels wegneemt waardoor referente juist makkelijker aan het werk zou kunnen gaan, zou kunnen gaan studeren en in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Eisers betogen verder dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. Tot slot betogen eisers dat het hanteren van een restrictief toelatingsbeleid geen belang is maar een algemeen uitgangspunt zodat dit ten onrechte in het voordeel van de Staat is meegewogen.
12. Het betoog van eisers slaagt. De rechtbank is van oordeel dat aan de belangenafweging van de minister motiveringsgebreken kleven. De rechtbank legt haar oordeel hierna uit.
De rechtbank stelt vast dat uit de door eisers geschetste feitelijke gang van zaken, die niet in geschil is, het volgende blijkt. Referente is na haar vertrek uit Eritrea, uiteindelijk, op 23 december 2017 in Egypte aangekomen. Zij is daar in contact gekomen met de UNHCR welke organisatie referente gedurende haar verblijf in Egypte heeft ondersteund. Referente heeft op 30 januari 2020 een hervestigingsinterview gehad op de Nederlandse ambassade. De hervestiging is toegekend. Tijdens het interview en ten tijde van de aanmelding voor hervestiging van referente was zij nog minderjarig. De reis van referente naar Nederland is door de coronacrisis echter vertraagd en zij is op 28 november 2020 Nederland ingereisd. Op [geboortedag] 2020 is referente 18 jaar geworden, waardoor zij ten tijde van haar inreis en haar asielaanvraag van 4 december 2020 inmiddels meerderjarig was. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat referente buiten haar wil om en dus door overmacht pas later in Nederland is aangekomen, waardoor zij op het moment van haar asielaanvraag meerderjarig was. De gevolgen hiervan voor referente en eisers zijn groot, omdat referente door haar meerderjarigheid geen gebruik meer kon maken van de voor alleenstaande minderjarige statushouders geldende (gunstige) voorwaarden voor nareis. De rechtbank stelt vast dat hoewel de minister in het bestreden besluit bij de belangenafweging de onvrijwillige scheiding en de vluchtsituatie heeft betrokken, uit de besluitvorming niet blijkt dat de minister met de omstandigheid dat referente buiten haar schuld als meerderjarige de huidige procedure is ingegaan, in het kader van de belangenafweging in de besluitvorming heeft betrokken. Uit de besluitvorming blijkt namelijk enkel dat de minister uitgaat van de feitelijke situatie en dat referente meerderjarig was ten tijde van haar asielaanvraag. Daarmee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank te weinig oog voor de toch vrij bijzondere situatie van referente, en daarmee eisers.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de duur van de procedure, en daarmee de tijd die referente is gescheiden van haar moeder ten onrechte aan eisers tegenwerpt in het kader van de belangenafweging door te overwegen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen referente en haar moeder (al een langere tijd) beperkt is en door te overwegen dat referente inmiddels zelfstandig functioneert. Eisers wijzen er in dit kader terecht op dat de beslissing op de aanvraag eigenlijk al binnen drie maanden na de aanvraag van 21 juni 2021 had moeten volgen, maar dat de procedure door een verscheidenheid aan omstandigheden, die niet aan referente zijn te wijten, nu al meer dan vier jaar duurt. Dat referente ouder is geworden, probeert een leven op te bouwen en langer van haar familie is gescheiden kan daarom in de breedste zin niet aan haar worden tegengeworpen zonder dat de minister zich daarbij rekenschap geeft van de duur van de procedure en de mate waarin de verantwoordelijkheid voor de lengte van die procedure bij de minister en/of de rechtspraak kan worden gelegd. Gelet op deze punten gaat de verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, waarin staat dat ondanks toepasselijkheid van het jongvolwassenebeleid door de minister in de belangenafweging toch rekening mag worden gehouden met eventuele zelfstandigheid van een vreemdeling, niet op, op de manier waarop de minister dat in de besluitvorming betrekt.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister wel voldoende heeft gemotiveerd waarom de objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in Eritrea uit te oefenen slechts licht in het voordeel van eisers is meegewogen. De minister heeft aan dat standpunt ten grondslag mogen leggen dat referente haar moeder inmiddels niet meer in Eritrea woont. Anders dan eisers lijken te veronderstellen, werpt de minister hen niet tegen dat zij het gezinsleven in Egypte kunnen uitoefenen, maar wel dat een bezoek aan Egypte eventueel nog mogelijk is terwijl dat niet het geval is voor Eritrea. Ten aanzien van het betoog van eisers dat het bezoeken door referente van haar moeder in Egypte onvoldoende is in het kader van de bescherming van het bestaande gezinsleven, oordeelt de rechtbank dat de minister gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat referente haar familie in Egypte zou kunnen bezoeken, terwijl bezoek in Eritrea, mocht haar gezin daar nog hebben gebleven, in het geheel niet mogelijk zou zijn. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van referente dat de minister niet voldoende zou hebben gemotiveerd waarom hij niet meer gewicht heeft toegekend aan de objectieve belemmering en deze slechts licht in het voordeel van referente heeft meegewogen. De rechtbank volgt ook niet de verwijzing van referente naar het arrest van het EHRM, M.A. tegen Denemarken, nu het verblijf van de moeder van referente in Egypte maakt dat de minister aan de objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen minder waarde mag hechten.
De rechtbank volgt verder niet het betoog van referente dat, omdat op grond van het jongvolwassenenbeleid al gezinsleven is aangenomen tussen referente en haar moeder, de aard en intensiteit van het familieleven haar niet meer mag worden tegengeworpen. In de belangenafweging wordt de aard en intensiteit van het gezinsleven immers afgezet tegen de belangen van de Staat. Dat vergt een andere beoordeling dan de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven. De rechtbank wijst ter illustratie op de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024. De rechtbank volgt ook niet het betoog van referente dat op economisch gebied niet het onmogelijke van haar mag worden verwacht. Dat maakt immers niet anders dat aannemelijk is dat de moeder van referente bij aankomst in Nederland voor onderhoud en huisvesting afhankelijk zal zijn van de Staat. De minister heeft dat niet ten onrechte in het nadeel van referente meegewogen. Niet is gebleken dat de minister daarmee teveel van referente verwacht. Ook volgt de rechtbank niet het betoog dat de binding met een derde land niet relevant zou kunnen zijn. De rechtbank wijst daarvoor op het onder 12.3. overwogene en de omstandigheid dat voor Egypte, anders dan voor Eritrea, geen objectieve belemmering bestaat. De minister heeft niet ten onrechte belang gehecht aan het feit dat de moeder van referente nu niet meer in Eritrea maar in Egypte verblijft. De rechtbank is voorts van oordeel dat referente haar betoog dat de minister geen rekening heeft gehouden met de belangen van het kind niet nader heeft onderbouwd, zodat het alleen al daarom niet kan slagen.
De hiervoor onder 12.1 en 12.2 beschreven motiveringsgebreken raken de kern van de belangenafweging van de minister. De minister zal daarom een nieuwe belangenafweging moeten maken. De beroepsgrond van eisers dat de minister van zijn beleid had moeten afwijken behoeft daarom op dit moment geen nadere bespreking.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen en daarbij ook een nieuwe belangenafweging maken. De minister moet dit doen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt de minister op deze zaak met voorrang en voortvarendheid op te pakken gelet op de aard en de lange duur van de procedure. De rechtbank geeft de minister een termijn van zes weken na deze uitspraak om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
14. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding de minister te veroordelen in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 aan eisers vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een hoogte van € 1.868 en
- bepaalt dat de minister aan eisers het door hen betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.